Eenentwintig brieven aan zijn pleegdochter: Zevende brief

Jon Newton Brieven

MIJN LIEVE KIND,

Ik stuur je als eerste een brief. In de toekomst moet je alleen maar een brief verwachten in antwoord op de jouwe. We hopen spoedig te horen dat het goed met je gaat en dat je blij bent met je omstandigheden. Ik wil niet dat enige andere plaats je net zo lief is als thuis. Dat zou in elk geval niet zo moeten zijn, want het is onmogelijk dat iemand anders je even lief zou hebben als je moeder en ik. Daarom moet je ons wel hartelijk liefhebben en zul je ook van je thuis houden. Hoe meer je houdt van je thuis, hoe meer je je best zult doen om je tijd op school goed te benutten. Je terugkeer naar ons is in hoge mate afhankelijk van jezelf. Wij vinden het niet fijn om je naar het buitenland te sturen. Voor een dag of twee leek het huis vreemd zonder jou en ik mis je nog iedere dag. We moesten je echter wel wegsturen voor je eigen bestwil. Ik kan de gedachte niet verdragen dat je als onkruid zou opgroeien. Ik wil dat je er als een mooie bloem uitziet. Zonder goede verzorging zouden de beste bloemen in een tuin verwilderen en onooglijk onkruid worden. Zo belangrijk is onderwijs voor kinderen. De Heere is goed voor je geweest.

Hij heeft jou een goed verstand en natuurlijke talenten geschonken en bovendien een innemend karakter. Het zou zeer betreurenswaardig zijn als je, ondanks al deze zegeningen, slechts onkruid zou blijken te zijn. Om dat te verhoeden, moest ik je van Londen naar H. laten brengen. Ik hoop dat je daar zult groeien en bloeien en dat je niet alleen zult toenemen in grootte, maar ook in wijsheid en genade. Ik heb je veel brieven geschreven met een geestelijke strekking. Ik hoop dat je die bewaard hebt en nu en dan zult herlezen, misschien wel met des te meer genoegen omdat je vader ze geschreven heeft. Ik wil je niet te veel met dit onderwerp vermoeien, hoewel het echt mijn grootste verlangen is dat je de Heere mag kennen en liefhebben. Anders zou ik je bewenen, zelfs als je meer bereikt had en meer bewonderd werd dan een van je leeftijdgenoten en je je met de pracht van een koningin kon omgeven. Ik zou je geboorte bewenen en de dag dat je aan mijn zorg werd toevertrouwd. Ik weet echter dat ik je niet echt godvruchtig kan maken; evenmin als je dat zelf kunt. Dat is het werk van de Heere en ik smeek Hem dagelijks je waarlijk te zegenen.

Hij heeft echter een bestemde tijd. Ik hoop dat je Hem tot die tijd zult verwachten naar het licht dat je hebt en de aangewezen middelen zult gebruiken, dat je ernstig tot Hem zult bidden en Zijn Woord zult lezen en horen wanneer je daar gelegenheid voor hebt. Ik hoop dat je een gehoorzame en toegenegen leerling zult zijn voor je gouvernante en dat je vriendelijk zult zijn voor allen in je omgeving, zodat je hun liefde en achting zult winnen. Ik hoop dat je je ook zorgvuldig zult onthouden van alles waarvan je weet dat het verkeerd is. Zover kun je op dit moment gaan, naar ik hoop. Ik wil echter niet dat je meer godsvrucht voorwendt dan je ervaart. Dat gevaar bestaat in een gezin waarin iemand een ambt bekleedt. Jonge mensen zijn geneigd anderen in hun omgeving te imiteren. Soms hebben ze (wat verfoeilijk is) een schijn van godsvrucht, terwijl hun hart niet bij de dienst van God betrokken is. Ik heb goede hoop dat de Heere je zal onderwijzen en leiden en dat de vele gebeden en lofzangen die ik voor jou heb opgezonden niet vergeefs zijn geweest. Toen ik aan deze brief begon, wilde ik niet half zo ernstig schrijven. Ik wilde liever iets vinden om je af te leiden. Je ligt me erg na aan het hart en dat maakt me ernstig. Ik verlang ernaar om te komen en je te zien, maar dat kan nu nog niet en ook kan ik nog niet zeggen wanneer, maar ik zal je een keer verrassen als je misschien niet aan mij denkt.

Je zeer liefhebbende vader
17 oktober 1781