Eenentwintig brieven aan zijn pleegdochter: Achtse brief

Jon Newton Brieven

MIJN LIEVE KIND,

Als je moeder en ik je komen bezoeken moeten we op een maandag komen om meer dan één reden die jij niet hoeft te weten. Omdat er maar één maandag in de week is, kan er vaker dan ik zou wensen iets tussenkomen. Ik beloof je echter aan je te denken als ik je niet kan zien en soms praten we ook over je. ‘Het zal al gauw Kerst zijn en dan zullen we haar thuis hebben. Misschien heeft ze wel zo veel vorderingen gemaakt en is haar gedrag zo voorbeeldig dat we het heel jammer vinden om afscheid van haar te moeten nemen.’ We hopen dat je deze woorden zult waarmaken. Onlangs werd ik ongeveer een week lang geplaagd door allerlei pijnen. Mijn gezicht en mijn tanden deden pijn, ook werd ik geplaagd door pijn in mijn rug en in mijn zij. Nu heb ik echter helemaal geen pijn meer en ik heb er niets aan overgehouden.

Jij weet nog maar weinig over pijn en zorgen. Juist in deze tijd van je leven word je opgeroepen om te gedenken aan je Schepper en Verlosser. Nu zijn de omstandigheden daarvoor het gunstigst. Als je leven wordt gespaard, zullen ook voor jou de dagen komen waarin je zult zeggen: ‘Ik heb geen lust in dezelve.’ (Pred. 12:1) Ik hoop echter dat je, lang voor die tijd aanbreekt, iets zult leren kennen van die vreugde die niet afhangt van jeugd of gezondheid of iets wat de wereld kan geven of nemen. Zoek de Heere en leef. Je hoeft niet ver te zoeken. Hij is heel dichtbij. Hij is nabij, ’s Nachts staat Hij aan je bed en overdag vergezelt Hij je op je pad. Hij ziet en merkt alles wat je zegt en doet. Ik wil niet dat je Hem zo voorstelt dat de gedachte aan Hem je bang maakt. Zie Hem zoals de evangelisten Hem beschreven tijdens Zijn omwandeling op aarde. Bedenk hoe genadig, hoe medelijdend, hoe beminnelijk Hij was.

Als Hij nu op aarde was, zou je dan niet wensen dat ik je naar Hem zou brengen, opdat Hij je de handen zou opleggen en zou zegenen, zoals Hij deed bij de kinderen die bij Hem gebracht werden? Als Hij hier was, zou ik met jou naar Hem toe kunnen gaan en kunnen zeggen: ‘Heere, zegen ook mijn kind.’ Ik weet zeker dat Hij niet afkeurend zou kijken en zou zeggen: ‘Breng haar weg, Ik wil niets met haar te maken hebben.’ Nee, mijn lieve kind, Hij heeft beloofd dat Hij geenszins zal uitwerpen wie tot Hem komt. Ga zelf naar Hem toe. Hoewel je Hem niet kunt zien is het genoeg dat Hij jou ziet en hoort. Zeg Hem dat je hoort en gelooft dat Hij een Zaligmaker van velen is en smeek Hem of Hij ook jouw Zaligmaker wil zijn. Zeg Hem dat het niet je eigen keus was dat je bij C. werd weggehaald en aan mijn zorg werd toevertrouwd, waardoor je de gelegenheid had om meer te leren van Zijn goedheid dan je anders geleerd zou hebben.

Smeek Hem om jou Zijn genade te schenken, opdat de voorrechten die je ontvangen hebt je schuld niet zullen verzwaren, maar jou tot Zijn heil zullen leiden. Laat geen dag voorbijgaan zonder te denken aan Zijn lijden in Gethsémané en op de berg Golgotha. Zijn liefde voor arme zondaren, Zijn bloed en kruisdood zullen zeker jouw liefde voor Hem opwekken. Als je Hem eenmaal liefhebt, zal alles je licht vallen. Je zult het je grootste vreugde achten om Hem te behagen. Bedankt voor je brief. Ik put er hoop uit dat je schrijfvaardigheid zal verbeteren. Ik wil graag dat je niet alleen een goed handschrift hebt, maar ook goede brieven schrijft. De kunst is vrijmoedig en ongedwongen te schrijven. Als je je pen ter hand neemt, moet je alles zo opschrijven als het je voor de geest komt, precies zoals je erover zou spreken, zonder er diep over na te denken. Vertel me iets over de vogels op het gazon, de bomen in de tuin of wat je maar wilt, als je maar vrijuit schrijft. De Heere zegene je. Ik heb je hartelijk lief en wil dat je gelooft dat ik je liefhebbende vader ben.

10 november 1781