Brieven aan de eerw. heer S: Zesde brief

Jon Newton Brieven

WAARDE VRIEND,

Nooit kwam het bij mij op, dat u een volledige en opzettelijke beantwoording van uw brief van mij zou verwachten, terwijl ik te Londen was; en echter kon u dat met reden doen, terwijl mijn verbintenissen en beletselen u onbekend waren. Maar het was mij inderdaad onmogelijk; ik kon niets meer doen, dan u in haast een regel toezenden, als een blijk dat ik aan u gedacht. Ik schreef u toen ik weer naar huis gekeerd was, dat ik aanstonds wederom op reis moest. Nadat ik voor de tweede keer was teruggekomen, was ik overwelft door bezigheden die geen uitstel konden lijden; en eindelijk geen enkele brief van u ontvangende, besloot ik te wachten, totdat ik weer van u horen zou.

Maar vanaf het begin was het mijn voornemen om u op die wijze als u verzocht hadt te beantwoorden zodra het mij mogelijk zou zijn. En nu zelfs, moet ik nog een weinig uitstel van u vergen. Geloof mij, dat, daar Gods wijze en goede voorzienigheid ons, geheel buiten mijne verwachting elkaar deed ontmoeten, ik alles zal aanwenden wat in mijn vermogen is om de vriendschap aan te vermeerderen, en in het bijzonder, door u mijn gedachten me te delen omtrent alle zodanige onderwerpen, als umij zult voorstellen.

En hoewel er, om uw vragen te behandelen als u begeert, en om de overeenstemming van afzonderlijke schriftuurplaatsen — naar mate die voorkomen — met mijn gevoelens aan te wijzen; ofschoon er, zeg ik, tot dit alles, zoals het mij in het vooruitzicht toeschijnt, veeleer een boek, dan een blad papier nodig zal zijn, geef ik echter de moed niet op. Ik bid u alleen mij te vergunnen om ook aan andere zaken te denken, en te geloven, dat vóór ik het genoegen had briefwisseling met u te houden, mijn tijd reeds zeer bekrompen was. Verwacht dan de beste voldoening, welke ik u geven kan, zo snel mogelijkzal zijn. Om de weg te bereiden wil ik enige ogenblikken uitkopen om u enkele bedenkingen op te geven, over de uwe, die ik gisterenavond ontving.

U klaagt, dat ik tot hier toe uw verwachting teleurgesteld heb. Als u mijn eerste brieven bewaard hebt, zult u, geloof ik, erin vinden, dat ik u tevoren verwittigd heb, dat dit zeer snel zou kunnen gebeuren, en dat het zekerlijk zo zijn zou, tenzij het God behaagde, hetgeen ik zou schrijven te doen strekken tot een middel om u dezelfde begrippen te geven die ik heb. Mijn oogmerk was alleen, als een getuige, eenvoudig voor te stellen wat ik gezien en leren kennen had. Voor zover u geloofd, dat ik oprecht was, en u niet zocht te bedriegen, moest u tenminste, naar mij dacht, vermoeden dat hetgeen ik zei, waarheid kon zijn, hoewel u de zaken niet in hetzelfde licht mocht beschouwen als ik. En indien u het voor mogelijk hield, dat mijn verandering van gevoelens, daar ik weleer op dezelfde wijze dacht als u, op genoegzame gronden zou kunnen steunen; dan zou u, dacht ik, gelijk ik vertrouw dat u dat doet, tot de grote Leraar opzien, en wachten op Zijn onderwijs. Buiten dit, had ik geen verwachting u te zullen overtuigen; en dit verwacht ik ook nog niet. Ik ben alleen verblijd, mijzelf als een werktuig in Zijn handen te stellen.

U hebt hetgeen ik zei van het licht en de invloed van Gods Geest helemaal verkeerd begrepen. Hij openbaart mij geen nieuwe waarheden, maar heeft mij slechts de zin doen begrijpen van Zijn eigen beschreven Woord. Ook is dit licht geen bijzondere openbaring; het is gemeen aan allen die wedergeboren zijn. En dus, hoewel u en ik daaromtrent niet volkomen kunnen overeenstemmen, ontmoet ik nochtans bijna dagelijks mensen uit hetOosten, Westen, Noorden, en Zuiden, die met mij bevinden, dat wij, hoewel wij elkaarnimmer tevoren zagen, echter elkander aanstonds verstaan Dit, want u begeert van mij dat ik eerlijk spreek — dit is één ding, hetwelk ik denk dat u thans nog ontbreekt. En ik bepaalde mijn uitdrukking tot één ding, omdat het de uitdrukking van onze Heere is; en omdat dit ene ding vele dingen in zich omvat.

Zoal ik tevoren zei, ik kan het u niet geven, maar de Heerekan het u geven; en uit aanmerking van de begeerte, welke Hij in uw hart verwekt heeft, heb ik goede hoop dat Hij het u het geven zal. U plaatst al de kracht van uw onderzoek in de Rede. Verre ben ik ervan af, de Rede te verachten, wanneer ze verlicht en geheiligd is. Maar geestelijke dingen moeten geestelijk worden onderscheiden, en kunnen op geen andere wijze aangenomen en onderscheiden worden; want voor onze natuurlijke Rede zijn ze dwaasheid. Dit zeker iets, kan ik zo weinig [verstaanbaar] beschrijven, aan hen die het niet ondervonden hebben, als ik een denkbeeld van de smaak van een Ananas zou kunnen geven, aan iemand die er nooit een gezien, [nog minder geproefd] had.

Schriftuurlijke bewijzen kan men in overvloed bijbrengen, maar niet zodat daardoor een wezenlijke overtuiging geboren wordt voordat men de zaken dadelijk ondervindt. Dus was het gelegen met mijn Vriend, van wiens geval ik u een verslag toegezonden heb. Toen God hem de sleutel gaf — zoals hij zich uitdrukte — waren de Schriften ontsloten. Dat hij, enige tijd tevoren, wenste een Deïst te zijn, ontstond niet uit vrij geestige tegenbedenkingen, die hij tegen de voorschriften van het Evangelie maakte — maar uit de verlegenheid en verbijstering, waarin hij zich gebrachtvond, wanneer hij probeerde de leerstukken van de Godsdienst door de kracht van de Rede te begrijpen. En echter was de Rede in hem zo sterk en doordringend, als in de schranderste mensen die ik ooit heb ontmoet.

Hoe kan ik, volgens uw tegenwoordig plan, hopen u te zullen voldoen? De Apostel Paulus zegt zelf, dat het bedenken van het vlees vijandschap tegen God is. U zult zeer geredelijk uw toestemming geven aan de bewering, gelijk die daar, in de woorden van de Apostel staat uitgedrukt; maar u zult niet zo gereed zijn om toe te staan hetgeen ik zo vast geloof den zin er van te wezen, als ik van mijn aanzijn overtuigd ben, namelijk: Dat het hart van de mens, van alle mensen, van ieder mens, hoe schijnbaar beminnelijk in zijn uitwendig gedrag, hoe mild ook tegenover zijn medeschepselen, hoe overvloedig en ijverig in zijn godsdienstoefeningen, van nature vijandschap is tegen God. Niet tegen het denkbeeld dat hij zich van de Godheid vormt, maar tegen de volmaaktheden welke God van Zichzelf in het Woord geopenbaard heeft.

De mens is vijandig tegen de rechtvaardigheid, en de opperste vrijmacht, en de heilige wet van God, mitsgaders tegen de enige weg van behoudenis, in het Evangelie ontdekt, alleen door het geloof — door zulk een geloof, om hetwelk in zich te verwekken, hij zo weinig toebrengen kan, als hij kan toebrengen om doden levend te maken, of een wereld te scheppen. Al wat uit het vlees geboren is, is vlees, en kan niet hoger opklimmen dan tot zijn eigen grondbeginsel. Doch hoe moeilijk u het ook vinden mag om dit te geloven, de Heerezou u er in een ogenblik van kunnen overtuigen.

Ik moet afbreken, door gebrek aan plaats en tijd. Duld dat ik u onze afspraak herinner, namelijk, van weerskanten een onbelemmerde vrijmoedigheid te gebruiken, en zich niet te ergeren aan hetgeen van de ene of andere zijde met een goed oogmerk mocht gezegd zijn. Iets in uw laatste brief deed mij vrezen dat u een weinig misnoegd jegens mij waart. Hij, die mijn hart kent, weet, dat ik u oprecht het goede wens, als aan mijzelf. De uitdrukking, van te boeten voor de ongehoorzaamheid, door berouw, kwam voor in een van uw preken. Ik beschouwde ze als onbedachtzaam; maar volgens mijn begrip van zaken, zou het mij in zekere zin onmogelijk zijn, die uitdrukking te bezigen, ofschoon ik wellicht zelf maar al te dikwijls onbedachtzaam ben.

Ik ben, enz.
28 October, 1775.