Eenentwintig brieven aan zijn pleegdochter: Eenentwintigste brief

Jon Newton Brieven

MIJN LIEVE KIND,

Hoewel ik je pas per post een lange brief gestuurd heb, die je hopelijk dinsdag ontvangen hebt, moet ik je opnieuw schrijven. Ik pak een nieuwe pen en een vel goudgerand papier om je zo goed mogelijk te belonen voor de brief die ik gisteren kreeg. Ik wil je zonder veel uitstel laten weten hoe blij je moeder en ik ermee waren. Het maakt ons heel gelukkig te weten dat het je wens en je voornemen is om ons een genoegen te doen. We hopen niet bij jou achter te blijven. We denken absoluut niet dat je een slecht karakter hebt; je antwoord bewijst het tegendeel. Soms heb je misschien een goede raad of een vermaning nodig. Ik geloof dat zelfs dit niet vaak nodig zal zijn. Als er aanleiding toe is, zal ik het, door de liefde gedrongen, zo voorzichtig doen dat het zo min mogelijk op een verwijt zal lijken. Ik hoop en verwacht meer gelegenheden te vinden om je te prijzen dan om je te vermanen.

Als het de Heere behaagt je nicht te sparen zal er een tijd aanbreken dat jullie weer bij elkaar zullen wonen en elkaar, naar ik geloof, hartelijk zullen liefhebben. Ik zou zeker willen dat je haar voorbeeld volgt in alles wat prijzenswaardig is. Ik geloof dat er andere dingen zijn waarin jij een voorbeeld voor haar kunt zijn. Zo zullen jullie elkaar wederzijds tot nut kunnen zijn. We zullen jullie allebei liefhebben en ons over jullie allebei verheugen. We zullen geen greintje minder liefde hebben voor jou dan wanneer we haar nooit gezien hadden. Ik kan de Heere niet dankbaar genoeg zijn dat de twee kinderen die Hij in Zijn voorzienigheid aan mijn zorgen heeft willen toevertrouwen, zo’n beminnelijk, lief karakter hebben dat ze ook mijn liefde gewonnen zouden hebben als ze vreemden geweest waren en niet zo nauw aan ons verwant als jij en je nicht. Hoewel ik jullie allebei nu als mijn eigen kinderen beschouw, ben jij nog steeds mijn oudste. Dat ik een tweede kind heb, is niet ten nadele van jouw geboorterecht.

Ik kan geen nieuws bedenken. Met je moeder gaat het vrij goed en met je nicht ook. Ze moet echter vaak binnenblijven, want als het nat of koud is, kunnen we haar niet naar buiten laten gaan. Ze schijnt ook niet naar buiten te willen, alleen naar de kerk. Ze vindt het erg om achter te blijven als we daarheen gaan. Ze schikt zich echter, omdat ze denkt dat haar tante het best kan beoordelen of het veilig voor haar is om te gaan of niet. Mijn lieve kind, jij bent begiftigd met een goede gezondheid en ik hoop dat je er dankbaar voor zult zijn. Je nicht kent de waarde van gezondheid, omdat ze die mist. Ik zou nog wel twintig andere jonge mensen kunnen noemen voor wie dit geldt. Als het de Heere behaagt ons met ziekte te bezoeken, kan Hij die ziekte tot een zegen maken, maar een goede gezondheid blijft een groot voorrecht. Als je leven verlengd wordt, kan het lang duren voor er door het klimmen van de jaren een merkbare verandering optreedt in je conditie, maar ten slotte zul je dat voelen. Als je een oude vrouw onzeker ziet lopen met een stok moet je bedenken dat ze eens zo jong was als jij nu bent, en misschien even levendig en lenig. Stel dat het vijftig jaar duurt tot jij zo geworden bent als zij. Als je ervoor staat, lijkt dat een lange tijd, maar als het voorbij is, slechts een oogwenk. Nauwelijks één op de vijftig mensen van jouw leeftijd zal over vijftig jaar nog in leven zijn.

Het gevaar loert overal,
En voert ons naar het graf
Hevige ziekten wachten
En snijden de levensdraad af

Hoe verstandig en belangrijk is daarom de raad: ‘En gedenk aan uw Schepper in de dagen uwer jongelingschap, eer dat de kwade dagen komen.’ (Pred. 12:1) Wie zouden we gedenken als we Hem vergeten? Onze Schepper is onze Verlosser (Jes. 54:5), de Zaligmaker, de Liefhebber van onze ziel, Die onze natuur aangenomen heeft, opdat Hij voor ons zou kunnen sterven. Zullen we Hem niet gedenken Die ondraaglijke pijnen verdragen heeft, Die bloed gezweten heeft en aan het kruis gehangen heeft, opdat wij zouden ontkomen aan de ellende die we verdiend hebben en tot Gods kinderen aangenomen zouden worden? Ik wilde dat de woorden van de dichter zouden vertolken wat er in jouw en mijn hart leeft:

U niet vergeten?

O, van de tafel mijner herinnering
wis ik hier weg elk dwaas, nietszeggend feit,
en elke zin en iedere indruk die
het jeugdig brein daarop heeft aangebracht.

En daar, binnen het boek van mijn gedachten,
zult Gij alleen in al Uw glorie wonen
vrij van elk aards gedoe.

Ik beveel jou in Zijn liefde aan en bid Hem om Zijn Naam op je hart te schrijven. We hebben je allen lief.

Je liefhebbende vader
30 oktober 1783