Eenentwintig brieven aan zijn pleegdochter: Derde brief

Jon Newton Brieven

MIJN GELIEFDE KIND,

Ik heb verschillende keren van je gehoord sinds ik je brief ontvangen heb. Ik wilde eerder antwoorden. Ik ben dankbaar dat het goed met je gaat en ik hoop dat je gelukkig bent. Ik bedoel ‘gelukkig’ in de gebruikelijke zin van het woord, want strikt genomen wordt hier geen geluk gevonden. Ik hoop echter dat je blij, dankbaar en in zekere mate tevreden bent met je deel. Kijk eens om je heen. Hoeveel kinderen zijn ziek, terwijl jij gezond bent, hoeveel kinderen zijn arm en berooid, terwijl jij niet alleen het nodige ontvangt, maar zelfs de vreugden van het leven. Hoeveel kinderen worden hard en wreed behandeld, terwijl jij aandacht krijgt en liefdevol behandeld wordt, terwijl jij thuis en in den vreemde lieve vrienden hebt?

Nog eens, hoeveel kinderen worden grootgebracht in onwetendheid en goddeloosheid, hebben alleen maar verkeerde voorbeelden en zullen – naar te vrezen is – van kwaad tot erger vervallen bij het opgroeien? Jij hebt echter het voorrecht van een goede opvoeding en goede voorbeelden. Jij bent terechtgekomen op een plaats waar je je kunt stellen onder het lieflijk Evangelie waardoor de Heere geloof en zaligheid schenkt aan hen die Hem zoeken. Vraag jezelf dan eens af hoe het is en waarom jij het beter hebt dan zij. Wat de reden ook is, het is niet omdat je beter bent in jezelf of omdat je beter verdient dan anderen. Ik hoop dat je dat beseft. Je hart is niet beter. Je bent ook een zondaar. Je bent geboren met een zondige aard. Hoewel je een kind bent, heb je tegen de Heere gezondigd. Als Hij al je zonden had gadegeslagen, had Hij je leven allang naar recht kunnen afsnijden.

Het is de barmhartigheid en de goedheid van de Heere dat jou zoveel gunst bewezen wordt. Hij had medelijden met jou toen jij niet wist hoe jij medelijden met jezelf moest hebben. In Zijn voorzienigheid nam Hij je weg van een plaats waar je waarschijnlijk nooit van Hem gehoord zou hebben en vertrouwde Hij je toe aan onze zorg. Hij gaf ons liefde voor jou, zodat we graag alles doen wat in ons vermogen ligt om je welzijn te bevorderen. Ik hoop dat we reden zullen hebben om Hem te danken dat je bij ons gekomen bent. De dagen worden langer, de zomer komt. Ik hoop dat je op een van die vele, aangename zomerdagen zult thuiskomen. Ik geloof dat je graag naar huis zult komen en wij zullen blij zijn om je te zien. Ik hoop dat het huis je bevalt. Voor het huis staan groene bomen, erachter ligt een groene weide waar koeien grazen. Het lijkt dus wel een beetje op het platteland.

Je moeder heeft mevrouw X gevraagd je een cake te sturen. Ik hoop dat je die gekregen hebt. Als dat zo is, hoop ik dat de cake nu al helemaal op is, want het spreekwoord is: You cannot eat your cake and have it.1 Dat is een waar spreekwoord. Het heeft ons ook veel te zeggen. Kijk maar naar alles wat goed en aangenaam schijnt in deze wereld. Als je alles het jouwe zou kunnen noemen, zou dat maar een poosje duren. Als je naar een andere wereld gaat, zal de herinnering aan alles wat je in deze wereld had niet méér zijn dan de herinnering aan een cake die je eens hebt gehad, maar nu op is, schoon op.

Zo is het echter niet, mijn geliefde kind, met het feestmaal dat Jezus bereidt voor arme zondaren. De vreugden die Hij schenkt, worden van tijd tot tijd vernieuwd en ook de overdenking daarvan is zoet. En in de andere wereld, als alle aardse vreugden voorgoed voorbij zijn, zullen zij die Hem liefhebben zich ongestoord en eindeloos verheugen. Er zullen voor eeuwig stromen van vreugde zijn aan Zijn rechterhand. De Heere zegene je en beware je. Zolang ik hier ben, is het mij een vreugde aan je te denken, voor je te voelen en je te schrijven.
Je liefhebbende vader
Charles Square, Hoxton, 8 April 1780

1 Men kan niet het laken hebben en het geld houden.