Brieven aan een edelman: Zeventiende brief

Jon Newton Brieven

MY LORD!

Hoe wonderlijk is het geduld van God jegens de zondige mens! In Hem leven zij, bewegen zij zich en hebben zij hun bestaan; en als Hij Zijn steun ook maar een ogenblik zou terugtrekken, zouden zij ten onder gaan. Hij onderhoudt hun huizen, waakt over hun leven, voorziet in hun behoeften, terwijl zij de krachten en vermogens die zij van Hem ontvangen, tegen Zijn wil gebruiken om zich te verzetten. Zij vertrappen Zijn wetten, beledigen Zijn heerschappij en verachten Zijn genade; en toch spaart Hij hen. Er is geen buitengewone inspanning van Zijn macht nodig om al Zijn tegenstanders in een ogenblik het zwijgen op te leggen; maar Zijn verdraagzaamheid jegens hen openbaart Zijn heerlijkheid, en geeft ons reden om te zeggen: Wie is een God als U?

Echter, soms zijn er treffende voorbeelden van Zijn ongenoegen tegen de zonde. Wanneer zulke gebeurtenissen plaatsvinden, onmiddellijk na een openbare en voorbedachte verachting van Hem die in de hemelen zetelt, denk ik aan het gevaar om, (als Ik dit zo mag zeggen) in Zijn weg te staan: want hoewel Zijn lankmoedigheid verbazingwekkend is, en velen Hem dagelijks ongestraft in Zijn aangezicht uitdagen slaat Hij soms een vreselijke en onverwachte slag, en geeft Hij een illustratie van die plechtige woorden: Wie heeft zich tegen de Heere verhard en is voorspoedig geweest? Maar wie ben ik om deze opmerking te maken? Ik zou het met de grootste ootmoed moeten uitspreken, omdat ik mij herinner dat ik eens in de voorste rij stond van Zijn gezworen tegenstanders; en met een vastberaden en onvermoeide vijandschap Hem verloochende, tegenwerkte en lasterde. Maar Hij zal barmhartig zijn over wie Hij barmhartig wil zijn; en daarom werd ik gespaard, en was het mij voorbehouden om van Zijn goedheid te spreken.

Josephus schrijft de dood van Herodes Agrippa toe aan een natuurlijke oorzaak en zegt dat hij werd getroffen door ondraaglijke pijnen in zijn ingewanden. Maar Lucas vertelt ons de ware toedracht: een engel des Heeren sloeg hem. Als wij een moderne versie van de geschiedenis hadden die door een geïnspireerde pen was geschreven, dan zouden wij waarschijnlijk vaak herinnerd worden aan een dergelijke tussenkomst waar wij ons gewoonlijk niet van bewust zijn. Want hoewel de oorsprong van daden en gebeurtenissen voor het grootste deel voor ons verborgen zijn, en ijdele mensen hun plannen vol vertrouwen uitvoeren alsof de Heere de aarde had verlaten; staan zij toch onder Zijn toeziend oog en bestuur. Het geloof kan Zijn hand en bestuur die in de Bijbel zijn opgetekend volgen en bewonderen. Het ziet hoe Hij de wijzen in hun eigen sluwheid vangt, de trots van menselijke roem bevlekt; en dat, wanneer zondaars hoogmoedig spreken, Hij boven hen staat, en alles voor Hem doet buigen of breken.

Terwijl wij klagen over de groei en de verderfelijke gevolgen van ongelovigheid, en zien hoe goddelozen en verleiders steeds erger worden, terwijl zij misleiden en zelf bedrogen worden, moeten wij toch wel dankbaar zijn voor Hem die het behaagd heeft ons te roepen uit de verschrikkelijke duisternis (waarin velen verdwaald en verloren zijn) tot het heerlijke licht van Zijn Evangelie! Onze beste opvattingen over deze barmhartigheid zijn slechts zwak. Om haar ten volle te kunnen begrijpen, moeten wij een volledig en juist begrip hebben van het kwaad waarvan wij verlost zijn; van de heerlijkheid waartoe wij geroepen zijn; en vooral van het verbazingwekkende middel waaraan wij ons leven en onze hoop te danken hebben, namelijk, de vernedering, het lijden en de dood van de Zoon van God. Maar het beeld dat wij van deze dingen hebben, is in onze aardse toestand uiterst zwak en onevenredig. Wij kennen ze slechts ten dele, en zien ze slechts door reflectie; en hoewel ze nauwkeurig zijn afgebeeld in de spiegel van Gods Woord, komen ze ons onduidelijk voor, omdat wij ze zien door de bril van onwetendheid en ongeloof.

Maar hierna zal elke sluier worden weggenomen; wij zullen, op een andere manier dan nu, het onuitsprekelijke kwaad van de zonde kennen. Ja dan, als wij de wereld in vlammen zien opgaan, en het laatste vonnis horen uitspreken over de goddelozen, zullen wij Gods grote ongenoegen tegen de zonden kennen. Ook zullen wij met andere ogen naar Jezus kijken wanneer wij Hem zien zoals Hij is; dan zullen wij in staat zijn om een meer indringende beoordeling te maken van de liefde die Hem bewoog om een Plaatsvervanger en een Vloek voor ons te zijn; dan zullen wij weten welke grote dingen God bereid heeft voor hen die Hem liefhebben. Wij zullen in vervoering de taal van de koningin van Scheba overnemen: Het was waar wat wij in die donkere wereld hoorden, maar zie, de helft, het duizendste deel, werd ons niet aangezegd! Mogen intussen de opvattingen die wij kunnen vormen over deze grote waarheden onze harten vervullen en worden vermengd met al onze gedachten en zorgen; moge de Heere ons door het geloof een blijvend bewijs geven van de werkelijkheid en het belang van de dingen die nog niet gezien kunnen worden. Dan zullen wij in staat zijn om boven de wereld te leven terwijl wij erin zijn. Dan zullen wij niet beïnvloed worden door haar verleidingen of haar afkeur; en met een edele eenvoud en oprechtheid de zaak van God in waarheid verkondigen en handhaven temidden van een krom en verdraaid geslacht. Hij, die wij dienen, is bij machte ons te ondersteunen en te beschermen; en Hij verdient het dat wij omwille van Hem bereid zijn veel meer te verdragen dan Hij ons ooit zal toestaan te doen. De roeping, plicht en het voorrecht van de gelovige worden prachtig en krachtig uiteengezet in Milton’s karakter van Abdiel, aan het eind van het vijfde boek:….

Faithful found
Among the faithless, faithful only he:
Among innumerable false, unmov’d,
Unshaken, unseduc’d, unterrify’d,
His loyalty he kept, his love, his zeal ;
Nor number, nor example, with him wrought
To swerve from truth, or change his constant mind
Tho’ single …

Ik denk dat uw situatie bijzonder veel lijkt op die waarin de dichter Abdiel heeft geplaatst. U bent zeker niet geroepen om God helemaal alleen te dienen. Maar onder diegenen die tot uw rang behoren en de positie waarin Hij u heeft geplaatst, zijn er maar weinigen die de principes op grond waarvan u handelt kunnen begrijpen, onderschrijven of goedkeuren, of een houding kunnen verdragen die een veroordeling of een schande over henzelf afroept! Maar u bent niet alleen; het volk van de Heere (van wie u velen niet zult kennen totdat u hen in heerlijkheid ontmoet) helpt u hier met hun gebeden; Zijn engelen zijn aangesteld om uw voetstappen te bewaren en te leiden; ja, de Heere Zelf vestigt Zijn oog van barmhartigheid op uw privé- en uw openbare levenswandel. Hij is u nabij aan uw rechterhand, opdat u niet bewogen zult worden! Het is mijn veelvuldig gebed, dat Hij u moge troosten met het licht van Zijn aangezicht, en u ondersteunen met de arm van Zijn macht.
Ik ben, enz.
8 December 1774