Brieven aan een edelman: Zestiende brief

Jon Newton Brieven

MY LORD!

Tot voor kort was het mijn gewoonte dat ik stof tot schrijven vond door de behandeling van een Bijbeltekst. Ik geloof ook dat dit voor mij de beste manier is om te voorkomen dat ik onnodig een paar voordehand liggende onderwerpen herhaal, onderwerpen die altijd bij mij opkomen als ik op het punt sta u te schrijven. Zojuist kwam die zoete uitdrukking van David in mijn gedachten: De Heere is mijn Herder. Sta mij toe, zonder plan of voorbedachte rade, er een paar opmerkingen over te maken; en moge u de vrede, het vertrouwen en de zegening ervaren, die een gelovige toepassing van de woorden kan voortbrengen.

De Socinianen en anderen, die op ongelukkige wijze trachten de voornaamste heerlijkheid en de grondtroost van het Evangelie te verduisteren, gebruiken hun kritische drogredenen tegen die teksten die uitdrukkelijk en op leerstellige wijze het karakter van de Verlosser verklaren. Zij voelen zich triomfantelijk als zij in een manuscript of in een oud boek een uitleg kunnen vinden die hun zaak schijnt te bevoordelen. Maar wij mogen en durven, omwille van de waarheid, hun verdachtmaking van een omstreden tekst op grond van Gods Woord weerleggen. Davids woorden in Ps. 23 zijn alleen al een beslissend bewijs dat Jezus Jehovah. Ik denk dat er twee dingen zijn die zij niet kunnen ontkennen als zij zouden accepteren: I. Dat onze Zaligmaker Zichzelf het karakter aanmeet van de Herder van Zijn volk; en, 2. Dat Hij niet in de wereld is gekomen om de voorrechten te verminderen die de dienaren van God vóór Zijn Menswording genoten. Volgens deze veronderstellingen, die niet kunnen worden weerlegd zonder het gehele Nieuwe Testament te verwerpen, is de conclusie onbetwistbaar; want als Jehovah Davids Herder was, hebben wij, die door het Evangelie worden geleid, een onuitsprekelijk nadelig voorrecht toevertrouwd aan de zorg van Iemand die, volgens de Socinianen, slechts een mens is; en volgens het Ariaanse denkbeeld, op zijn hoogst een schepsel is en oneindig tekort schiet in het bezitten van de volmaaktheden die David in zijn Herder beschouwt.

Hij had een Herder Wiens wijsheid en macht oneindig waren, en kon daarom met recht concluderen dat hij geen gebrek had en niet hoefde te vrezen. En wij mogen hetzelfde concluderen, indien onze Herder de Heere of Jehovah is, maar anders niet. Trouwens, de aard van het ambt van de Herder met betrekking tot de toestand van zulke broze schepselen als wij zijn, vereist voor de vervulling ervan die eigenschappen die alleen van Goddelijke zijde afkomstig zijn. Hij moet ieder individu van de kudde intiem kennen. Zijn oog moet op hen allen gericht zijn en Zijn oor moet openstaan voor hun gebeden. Zijn arm moet uitgestrekt zijn voor hun redding, op alle plaatsen, en in alle tijden. Elke gedachte van elk hart moet voor Hem openstaan en Zijn wijsheid moet doordringen, en Zijn arm moet alle verborgen en ingewikkelde complotten van de machten der duisternis beheersen en omverwerpen. Hij moet het bestuur hebben van de algemene Voorzienigheid over alle naties, families en personen op aarde, of Hij zou niet op doeltreffende wijze kunnen zorgen voor hen die hun vertrouwen op Hem stellen in die immense verscheidenheid van gevallen en omstandigheden waarin zij worden aangetroffen. Zowel de rede als de Schrift kunnen ons ervan overtuigen dat Hij die de verstotenen van Israël verzamelt, die de gebrokenen van hart geneest, die allen die vallen overeind houdt, die allen die neergebogen zijn weer opricht, en op wie de ogen van allen wachten voor hun steun, niemand anders kan zijn dan Hij die het getal van de sterren telt en hen allen bij hun naam noemt, en, Die groot van macht is en Wiens begrip oneindig is. Op bijna dezelfde wijze beschrijft de profeet Jesaja over deze machtige Herder in hoofdstuk 40:9-17, ten aanzien van Zijn Persoon als van Zijn ambt.

Is dit niet het grote geheim van de godzaligheid? Wat heeft de apostel terecht opgemerkt dat niemand kan zeggen dat Jezus Christus de Heere is, dan alleen door de Heilige Geest! Hoe wonderlijk is de gedachte dat de Schepper van hemel en aarde, de Heilige van Israël, voor Wiens aanwezigheid de aarde beefde en de hemelen neervielen toen Hij een duidelijk teken van Zijn majesteit toonde op de Sinaï, daarna zou verschijnen in de gedaante van een Dienstknecht en aan een kruis zou hangen, tot vermaak en hoon van boze mensen! Ik verwonder mij er niet over dat dit voor de wijzen van de wereld absurd, onredelijk en onmogelijk lijkt; maar voor een rechtvaardig en geheiligde mens lijkt het, hoe verbijsterend de stelling ook lijkt, toch waar en noodzakelijk, op grond van de veronderstelling dat het een heilig God behaagt zondaars te vergeven op een wijze die het mogelijk maakt de ontzaglijke heerlijkheid van Zijn rechtvaardigheid te tonen. Dezelfde argumenten die bewijzen dat het bloed van stieren en bokken ontoereikend is om de zonde weg te nemen, zullen hetzelfde resultaat opleveren als de uiterste daden met betrekking tot het lijden van mensen of engelen. De Verlosser van zondaars moet wel machtig zijn; Hij moet een persoonlijke waardigheid hebben om een zodanige waarde aan Zijn ondernemingen toe te kennen, dat daardoor God rechtvaardig en barmhartig blijkt in het rechtvaardigen van goddelozen omwille van Hem; Hij moet almachtig zijn om te zegenen en almachtig om hen te beschermen die tot Hem komen voor veiligheid en leven.

Zo iemand is onze Herder. Hij is het van Wie wij door genade kunnen zeggen: wij zijn Zijn volk en de schapen van Zijn weide. Wij zijn de Zijnen op grond van elke band en elk recht; Hij heeft ons gemaakt, Hij heeft ons verlost, Hij heeft ons heroverd uit de hand van onze vijanden, en wij zijn de Zijnen door onze eigen vrijwillige overgave van onszelf; want hoewel wij Hem eens gering, veracht en tegengewerkt hebben, heeft Hij ons gewillig gemaakt op de dag van Zijn heirkracht: Hij klopte aan de deur van ons hart, maar wij (althans ik) hebben die deur zoveel en zolang mogelijk voor Hem tegengehouden en gesloten. Maar toen Hij Zijn liefde openbaarde, konden wij ons niet langer verzetten. Als schapen zijn wij zwak, behoeftig, weerloos, geneigd te dwalen, niet in staat terug te keren en altijd omringd door wolven. Maar alles wordt goedgemaakt in de volheid, bekwaamheid, wijsheid, medelijden, zorg en geloofsvolheid van onze grote Herder. Hij leidt, beschermt, voedt, geneest en herstelt, en zal onze Gids en onze God zijn, zelfs tot in de dood. Dan zal Hij ons ontmoeten, ons ontvangen en ons aan Zichzelf voorstellen, wij zullen als Hem en met Hem zijn, tot in alle eeuwigheid.

Ach, my lord, wat een onderwerp is dit! Ik geloof dat het ook de vreugde van uw hart is. U bent door Zijn hand op een hogere plaats geplaatst. U ziet en voelt dat de hoogste eer en de belangrijkste aangelegenheden die met het huidige leven samenhangen, in vergelijking met het uitzicht en de voorrechten die u aan het heerlijke Evangelie te danken hebt, niet meer dan kinderlijke beuzelingen zijn. Uw situatie in het leven maakt de genade die u is geschonken des te opvallender en onderscheidender. Ik ben ergens een gelijkaardige beschouwing tegengekomen over Hendrik de Vierde van Frankrijk, namelijk dat, hoewel velen met hem op dezelfde dag in de wereld zijn gekomen, hij waarschijnlijk de enige onder hen was die geboren was om koning te worden. Edelachtbare, u kent velen die, hoewel ze niet op dezelfde dag als u geboren zijn, geboren zijn voor titels, landgoederen en eerbewijzen; maar hoe weinigen van hen zijn geboren voor de eer om een openbare en betrouwbare belijdenis van het heerlijke Evangelie af te leggen! Het uur komt, dat alle eer en bezit, met uitzondering van datgene wat alleen van God komt, zal vervagen en verdwijnen; en, als het ongefundeerde bouwsel van een visioen, geen wrak achterlaten. Hoe ellendig zullen zij dan zijn die alles moeten achterlaten! Wat een treurige overdenking legt Horatius op de weg van hen die de Bijbel niet erkennen.

Linquenda tellus, et domus, et placens
Uxor : neque harum, quas colis, arborum
Te, prater invisas cupressos,
Ulla brevem dominum sequetur.

Genade en geloof kunnen de laagste stand van het leven draaglijk, en de hoogste begeerlijk maken. Van de eerste heb ik vele levende bewijzen en getuigen om mij heen. Edelachtbare, ik vertrouw erop, dat u de laatste zult ervaren, wanneer u, na de wil van God in deze generatie te hebben vervuld, geroepen zult worden (ik hoop dat dit op een nog verre dag zal gebeuren) om in de vreugde van uw Meester binnen te gaan. Hoe waardevol zijn intussen het leven, de talenten, de invloed en de gelegenheden van elke soort, als wij in staat zijn alles te benutten voor Hem Die ons zo heeft liefgehad, Die zo voor ons heeft gezorgd! Wat mijzelf betreft, ik hoop dat er weinigen zijn die zo’n duidelijk besef hebben van hun verplichtingen aan Hem, die zo’n ongeschikte en treurige opbrengst maken als ik. Ik voel een verlangen om Hem beter te dienen maar, helaas… het kwaad is ligt mij bij! Ik vrees dat ik zelfs in de hemel iets van schaamte en spijt zal voelen voor mijn lauwheid; want ik merk dat ik nooit gelukkiger ben dan wanneer ik mij op dit punt het meest schaam.
Ik ben, enz.
5 Nov. 1774