Brieven aan een edelman: Zesde brief

Jon Newton Brieven

MY LORD!

Mijn laatste twee brieven gingen over een verdrietig onderwerp: over de verdorvenheid van het hart, die ons hindert als wij het goede zouden willen doen en die onze goedbedoelde werken besmet met het kwade. Om deze oorzaak is er voor ons reden om al onze dagen “langzaam te gaan” (1 Kon. 21:27). Toch behoeven wij niet te treuren als degenen die geen hoop hebben. De Heere heeft ervoor gezorgd dat Zijn volk onder deze klachten ondersteuning zal genieten en Hij leert ons dat wij daaruit nut zouden trekken. Als het kwade dat wij in ons gevoelen niet overwonnen zou kunnen worden door het goede, zou de Heere het niet toelaten dat het in ons zou blijven. Dat kunnen wij afleiden van Zijn haat tegen de zonde en van de liefde die Hij Zijn volk toedraagt. Wat wij er ook aan zouden kunnen doen: noch onze staat, noch Zijn eer wordt door de werkingen van de inwendige zonden aangetast in de harten van degenen die Hij heeft leren worstelen, strijden en treuren vanwege hetgeen zij in zich gevoelen. Hoewel de zonde tegen ons strijdt, zij zal niet over ons heersen; hoewel zij de vrede in ons verstoort, zij kan ons niet van Zijn liefde scheiden. H

et is ook niet onbestaanbaar met Zijn heiligheid en volmaaktheid, als Hij Zijn genade openbaart aan zulke arme, bevlekte schepselen, of als Hij hen toestaat gemeenschap met Hem te hebben, want zij worden niet aangemerkt in zichzelf, maar dat zij één zijn met Jezus, tot Wie zij de toevlucht genomen hebben en door Wie zij een leven des geloofs leven. Zij worden aangenomen in de Geliefde. Zij hebben een Voorspraak bij de Vader, Die eenmaal verzoening voor hun zonden tot stand gebracht heeft en Die altijd leeft om voor hen te bidden. Al kunnen zij de wet niet volbrengen. Hij heeft die voor hen vervuld. Hoewel de gehoorzaamheid van de leden besmet en onvolmaakt is, is de gehoorzaamheid van het Hoofd smetteloos en volkomen, en hoewel er veel boosheid in hen woont, is er ook iets goeds, de vrucht van Zijn gezegende Geest. Zij werken vanuit een beginsel van liefde, zij beogen niets minder dan Zijn eer en hun begeerten zijn doorgaans voornamelijk op Hem gericht. Er is verschil in aard tussen de zwakste werkzaamheden van het geloof in een ware gelovige -als hij met schaamte bekleed is bij de gedachte aan zijn feilen- en de hoogste en meest schoonschijnende prestaties van degenen die wijs zijn in eigen ogen en verstandig volgens eigen inzicht. Het zal bij dezen ook niet lang duren, of de vijand zal uiteindelijk de overwinning over hen behalen.

De gelovigen worden ondersteund door een almachtige kracht en worden tot een zekere overwinning gevoerd. Die zullen niet altijd blijven zoals zij nu zijn. Nog een weinig tijd en zij zullen bevrijd zijn van dit ellendige lichaam; net als een huis waarin melaatsheid heerst, dat onherstelbaar is besmet en helemaal afgebroken moet worden. Zij zullen Jezus zien zoals Hij is. Hem gelijkvormig zijn en met Hem eeuwig blijven. De gezegende doeleinden waartoe de Heere de inleving en het gevoel van onze verdorvenheid dienstbaar maakt, zijn vele. Hierdoor worden Zijn macht, wijsheid, getrouwheid en liefde nadrukkelijker tentoongespreid. Zijn macht in het in stand houden van Zijn eigen werk, te midden van veel tegenstand, is als een brandende vonk in het water, of als een struik die in de vlammen niet verteert.

Zijn wijsheid zien wij in het verijdelen en beheersen van alle listen waarmee de satan, vanuit zijn kennis door het kwaad van onze natuur, wordt aangemoedigd om die tegen ons te gebruiken. Hij heeft wel menig schoon schijnende belijder ten val gebracht en evenals Goliath daagt hij de gehele legermacht van Israël uit, maar hij komt erachter dat er sommigen zijn die hem tegenstaan; die hij, hoewel hij hen zeer hard aanvalt, niet kan overwinnen. Niettegenstaande enig schijnvoordeel dat hij op sommige tijden behaalt, worden zij toch bevrijd, want de Heere is aan hun zijde. De onveranderlijkheid van de liefde des Heeren en de rijkdom van Zijn genade worden eveneens duidelijker tentoongespreid door een veelvoud van vergeving die Hij Zijn volk schenkt, dan dat zij in het geheel geen vergeving zouden nodig hebben.

Hierdoor wordt de Heere Jezus Christus dierbaarder voor de ziel. Alle roem is ten enenmale uitgesloten en de eer van een volle, vrije zaligheid wordt Hem alleen toegeschreven. Als een zeeman verrast wordt door een storm en na één nacht in gevaar doorgebracht te hebben weldra in de veilige haven mag aankomen, zal dat hem, hoewel hij blij zal zijn met zijn redding, niet zo zeer aangrijpen als dat hij na lange tijd in een storm heen en weer geslingerd te zijn geweest en een groot aantal keren op verschillende wijzen ternauwernood ontkomen is, dan ten slotte de begeerde haven bereikt. Er staat van de rechtvaardigen dat zij nauwelijks zalig worden; niet wat betreft de zekerheid van het feit, want het voornemen Gods om hen genadig te zijn kan niet verijdeld worden, maar wel met betrekking tot hun eigen vrees en de grote moeilijkheden waar zij doorheen geleid worden. Maar als zij na een lange ervaring van de bedrieglijkheid van hun hart, na herhaalde ondervinding van hun zwakheid, hun eigenzinnigheid, ondankbaarheid en ongevoeligheid erachter komen dat geen van deze dingen hen kan scheiden van de liefde van God in Christus, wordt Jezus steeds dierbaarder voor hun ziel.

Zij hebben veel lief, omdat hun veel vergeven is. Zij durven en willen niets aan zichzelf toeschrijven, maar zij zijn blij te erkennen dat zij (indien het mogelijk was) wel duizend keer hadden moeten omkomen, als Jezus niet hun Zaligmaker, hun Herder en hun Schild was geweest. Toen zij afdwaalden, heeft Hij hen teruggehaald; toen zij gevallen waren, heeft Hij hen opgericht; toen zij gewond waren, heeft Hij hen genezen; toen zij zouden bezwijken, heeft Hij hen verlevendigd. Door Hem hebben zij uit zwakheid kracht ontvangen. Hij heeft hun handen geleerd ten oorlog en heeft hun hoofd bedekt ten dage van de strijd. In één woord, enkele van de duidelijkste bewijzen van Zijn uitnemende Persoon hebben zij ervaren tijdens de diep vernederende ondervinding van hun eigen verdorvenheid.

Zij zouden niet zoveel van Hem hebben leren kennen, als zij niet zoveel van zichzelf hadden leren kennen. Verder wordt een geest van nederigheid, die zowel de glans als de waarborg, de kracht als de schoonheid van onze belijdenis is, zeer bevorderd door te beleven, en ook door te verstaan, dat als wij het goede willen doen, het kwade ons bijligt. Een verbroken en verslagen geest is de Heere aangenaam; Hij heeft beloofd te wonen bij degenen die deze bezitten en de ervaring leert dat de oefeningen in de genade evenredig zijn met een gevoel van nederigheid over de verdorvenheid van onze natuur. Dat wij zo totaal verdorven zijn, is echter een waarheid die niemand ooit echt geleerd heeft doordat men het hem alleen verteld heeft.

Als wij inderdaad een juist oordeel over onszelf konden verkrijgen, en ook voortdurend behouden, door hetgeen eenvoudig in de Schrift verklaard wordt, zou dat ons waarschijnlijk menig treurig uur besparen. Ondervinding is echter de leerschool van de Heere en die door Hem onderwezen worden, leren gewoonlijk dat zij geen wijsheid opdoen uit de fouten die zij maken en dat zij geen kracht verkrijgen doordat zij op hun weg uitglijden en vallen. Elke dag brengt nieuwe verdorvenheid tevoorschijn, die vóór die tijd nauwelijks opgemerkt werd, of men ontdekt die ten minste met meer licht dan tevoren. Zo worden zij dus geleidelijk gespeend aan het steunen op vermeende wijsheid, kracht en goedheid in zichzelf.

Zij ondervinden de waarheid van de woorden des Heeren: “Zonder Mij kunt gij niets doen”, en de noodzakelijkheid om met David uit te roepen: “O, leid mij en bestuur mij, om Uws Naams wil”. Het is hoofdzakelijk door deze gestalte van het hart dat de ene christen verschilt van de andere. Hoewel het een inwendige ervaring is, heeft zij merkbare uitwendige vruchten, die nadrukkelijk als volgt worden aangeduid: “Opdat gij het gedachtig zijt en u schaamt, en niet meer uw mond opent vanwege uw schande, wanneer Ik voor u verzoening doen zal over al hetgeen gij gedaan hebt, spreekt de Heere HEERE” (Ezech. 16:63). De kennisneming van Mijn volle en vrije vergeving van uw ontelbare afvalligheden en overtredingen zal u beschaamd maken en de weerbarstige werkingen van uw hart stillen. Gij zult uw mond openen in lofgezang en gij zult niet meer roemen op uzelf, of anderen veroordelen, of over Mijn wegen klagen.

In dit opzicht zijn wij zeer geneigd onbedachtzaam onze lippen te openen, maar een besef van grote onwaardigheid en van veel vergeving beteugelt al dit kwaad. Wie werkelijk nederig is, wordt niet gemakkelijk boos, spreekt niet zo absoluut of onbezonnen. Die zal medelijdend en teer spreken over de gebreken van zijn medezondaars, wetend dat als er onderscheid is, het door genade is, en dat hij de zaden van iedere boosheid in zijn eigen hart heeft. Onder alle beproevingen en verdrukkingen zal hij tot de hand des Heeren opzien en zijn mond in het stof steken, terwijl hij zal erkennen dat hij veel minder moet lijden dan zijn ongerechtigheden hebben verdiend. Dit zijn enkele van de voordelen en goede vruchten die de Heere ons doet verkrijgen uit die bittere wortel van de inwonende zonde.
Ik ben met de grootste achting, enz.
April, 1770.