Brieven aan een edelman: Vijfde brief

Jon Newton Brieven

MY LORD!

Ik meen dat mijn laatste brief ging over de gedachte van Paulus, Gal. 5:17: Gij kunt niet doen, hetgeen gij wilt. In een soortgelijke plaats, Rom. 7:19, wordt er nog een andere stelling bijgevoegd : Het kwaad dat ik niet wil, dat doe ik. Dit, bij het vorige gevoegd, zou de donkere zijde van mijn ondervinding voltooien. Vergun mij, uw Lordschap een klein gedeelte, te schrijven, want sommige dingen moeten niet, of kunnen niet gezegd worden, niet van hetgeen ik gelezen, maar van hetgeen ik gevoeld heb, ter opheldering van deze plaats.

Ik wilde niet het spel en het prooi van oppervlakkige, ijdele, dwaze, en nog erger inbeeldingen zijn. Maar toch ligt dit kwaad mij bij. Mijn hart is als een gemene weg, als een stad zonder muren of poorten. Niets is zo vals, zo beuzelachtig, zo ongerijmd, zo onmogelijk, ja zo afschuwelijk, of het vindt toegang, en het komt voor op alle tijden, en aan alle plaatsen. Noch de studie, noch de predikstoel, noch de tafel des Heeren, bevrijdt mij van zulke lastige indringers.

Ik vergelijk mijn woorden soms met de tonen van een muziekinstrument, die mijn gedachten accompagneren met een soort van bas, of liever gezegd een tegenbas, die al de regels van de muzikale harmonie overtreedt, en alle mogelijke wanklanken en verwarring voortbrengt, geheel strijdig en onbestaanbaar met de maat en tonen van het stuk dat gespeeld wordt. Ach! Wat voor muziek zou mijn bidden en preken somtijds maken in de oren van de Heere der Heerscharen, als Hij ze aanhoorde, zoals ze uit mij voortkomen! Door de mensen wordt het buitenste gedeelte – als ik zo spreken mag — slechts gehoord; en er is weinig reden, om mijzelf geluk te wensen, hoewel mijn werk door hen geprezen wordt, zegt mijn geweten mij ondertussen, dat zij verbaasd zouden staan en er van zouden ijzen, wanneer zij het in zijn geheel konden horen.

Maar indien dit vreselijk uitwerksel van de verdorvenheid van het hart, in de tegenwoordige staat van de menselijke natuur niet geheel vermeden kan worden, wil ik er echter toch niet aan toegeven, noch het vergoelijken. Evenwel, ik vind dat ik dit doe. In weerwil van mijn volkomen overtuiging en hartelijke wensen, vind ik iets in mij, dat deze boosheden, waarvoor ik moest schrikken en vluchten, zoals ik zou doen voor een pad of slang, die in mijn eten of in mijn bed gekomen was, begunstig en voorstaat. Ach! Hoe slecht is het hart, althans mijn hart, dat heulen kan met zulke gruwelijkheden, terwijl ik hun aard en strekking ken! Gewis, hij die zich daartoe bekwaam vindt, mag zonder dat hij zich daarom zeer ootmoedig behoeft te achten, hoe schoon ook zijn gedrag naar het uitwendige mag zijn, zich vrij de minsten van al de heiligen, en de grootsten der zondaren noemen.

Ik wilde mij, in geen geval, door een beginsel van verkeerde eigenliefde laten besturen; desondanks bedrijf ik dit kwaad menigmaal. Ik zie het lage en belachelijke van zulk een bestaan zo duidelijk als het licht van de dag. Ik wil geen dunk van mij doen voeden alsof ik tien voet lang was; en ik weet, dat een begeerte om wijs of goed geacht te worden, evenzeer tegen de rede en de waarheid strijdt. Ik zou bedroefd of gemelijk worden, als mijn medeschepselen dachten, dat ik zulk een begeerte had; en daarom vrees ik, dat het beginsel van eigenliefde zelf, waarover ik klaag, voor een groot deel mij aandrijft om het zoveel mogelijk te verbergen. De hoogmoed van anderen stoort mij dikwijls, en maakt mij oplettend om de mijnen niet te laten blijken; dewijl de goede mening die zij van mij hebben, veelal daar van afhangt, dat zij geen hoogmoed in mij bespeuren. Maar de Heere weet, hoe deze dode vlieg mijn beste verrichtingen besmet en bederft, en ze niet beter doet zijn, dan blinkende zonden.

Ik wil geen ijdele redeneringen in mij dulden, tegen de wegen en bestellingen van Gods Voorzienigheid. Nochtans ben ik hiertoe zeer geneigd. Dat de Rechter van de ganse aarde recht doen zal, is voor mij zo duidelijk en noodzakelijk, als dat twee plus twee vier is. Ik geloof, dat Hij een volstrekte macht en recht heeft, om met het Zijne te doen wat Hem behaagt, en dat deze opperste Vrijmacht slechts een andere naam is voor onbeperkte Wijsheid en Goedheid. Maar mijn redeneringen zijn dikwijls zodanig, alsof ik van die gewichtige grondstellingen nooit iets gehoord, of ze ten enenmale verloochend had. Ik voel de werkingen van een verwaande geest, die reden van alles wil geven, en durft tegen te spreken al wat hij niet begrijpen kan. Wat een kwaad is dit! Dat een aarde potscherf zich toe-eigent te twisten met zijn maker! Ik handel dus niet omtrent mijn medeschepselen; ik bedil de uitspraken van een rechter, of de beschikkingen van een veldheer niet, omdat, schoon ik weet dat zij feilbaar zijn, ik echter veronderstel, dat zij, elk in zijn zaak, wijzer zijn dan ik. Maar menigmaal neem ik deze vrijheid, waar het alleronredelijkst en onverschoonlijkst is.

Ik wil niet vasthouden aan een Werkverbond. Uit de opgegeven bijzonderheden, en vele andere, die ik zou kunnen noemen, zou men denken, dat ik redenen genoeg had, om mij daarvan af te schrikken. En evenwel, ik doe het geheel. Het is waar, ik zeg, en ik hoop het met geheel mijn hart: O Heere! Da niet in het gericht met Uw knecht. Ik omhels het als een getrouw woord, en aller aanneming waardig, dat Jezus Christus in de wereld gekomen is, om zondaren zalig te maken; en het is het grootste vermaak en de voornaamste bezigheid van mijn leven, de noodzakelijkheid en algenoegzaamheid des enige Middelaars tussen God en de mensen te tonen, en Zijn gerechtigheid te vermelden, de Zijne alléén. Maar hier, gelijk in alle andere zaken, vind ik een groot onderscheid tussen mijn oordeel en mijn beoefening. Ik word genodigd, om het water des levens te nemen, om niet; maar menigmaal ben ik onvrijmoedig, omdat ik niets heb om het te betalen.

Wordt het mij somtijds vergund, van de boven gemelde boosheden enigszins vrij te zijn, dan geeft mij zulks veeleer een gunstiger denkbeeld van mijzelf, dan dat het mijn verwondering over de goedheid van de Heere tot zulk een onwaardig schepsel vergroot. En wanneer de wederkerende stroom van mijn verdorvenheden mij overtuigt, dat ik nog dezelfde ben, dan zou een ongelovige wettische geest mij bijkans doen besluiten, dat de Heere veranderd is. Ten minste, ik voel een weerzin, om Hem zulke aanhoudende, zulke menigvuldige vergeving te moeten schuldig zijn Ik vrees, dat een gedeelte van mijn strijden tegen de zonde, en van mijn begeerte naar vermeerdering van heiligmaking, ontstaat uit een heimelijke wens, dat ik niet zo geheel en volstrekt alles aan Hem verschuldigd zou zijn.

Dit, My lord, is slechts een flauwe schets van mijn hart, maar ze is naar het leven getrokken; het zou eerder een boek dan een brief vereisen, om het beeld te voltooien. Maar ik hoop dat het u niet onaangenaam zal zijn, dat ik liefst over dat onderwerp thans niets meer zeg. Ondertussen, ofschoon mijn kwaal smartelijk is, ze is echter niet dodelijk. Ik heb een genadige en onfeilbare Geneesmeester. Ik zal niet sterven, maar leven, en de grote werken des Heeren vertellen.
Ik blijve, enz.
Maart, 1772.