Brieven aan een edelman: Twintigste brief

Jon Newton Brieven

MY LORD!

Ik heb geen geschikt voorwoord of inleiding bij de hand, en aangezien ik er bijna een gewoonte van heb gemaakt om niet te zoeken naar wat ik u moet schrijven, vraag ik u daarom toestemming om abrupt te beginnen. Het is het toekomstige beloofde voorrecht van de gelovigen in Jezus, dat zij als de engelen zullen zijn; en er is een bepaald opzicht waarin wij moeten trachten om als de engelen te zijn. Dit wordt ons duidelijk gemaakt wanneer ons wordt geleerd te bidden: Uw wil geschiede, gelijk in den hemel alzo ook op de aarde. Ik heb me soms vermaakt met de veronderstelling dat een engel zou worden aangewezen om een tijdje in een menselijk lichaam op aarde te verblijven; niet in zondig vlees, zoals het onze, maar in een lichaam dat vrij is van gebreken, en nog steeds een onverminderd besef behoudt van zijn geluk in de gunst van God, en van zijn onuitsprekelijke verplichting aan Zijn goedheid. Vervolgens heb ik geprobeerd zo goed mogelijk te beoordelen hoe zo’n engel zich in zo’n situatie zou gedragen. Ik weet niet of ik in mijn preken of brieven ooit op die gedachte ben ingegaan.

Sta mij toe er in deze brief een beetje op in te gaan. Als ik deze hemelse bezoeker zou kennen, hoop ik dat ik hem bijzonder zou eerbiedigen; en als het toegestaan is, zou ik hem in sommige gevallen graag raadplegen. In sommige gevallen, maar niet in alle; want ik denk dat mijn angst gelijk zou zijn aan mijn liefde. Ik denk dat ik het nooit zou kunnen wagen om mijn hart vrijelijk voor hem te openen en hem mijn ontelbare klachten en zwakheden te onthullen. Want aangezien hij zelf geen ervaring heeft met dergelijke dingen, zou ik denken dat hij niet zou weten hoe hij volledig medelijden met mij moet hebben, of hoe hij mij moet verdragen, als ik hem alles zou vertellen. Helaas, wat een bespottelijk, vreemd, verachtelijk schepsel zou ik voor een engel zijn als hij mij kende zoals ik ben!

Voor mij is het goed dat Jezus lager werd gemaakt dan de engelen, en dat de menselijke natuur die Hij aannam niet anders was dan de gewone natuur van de mensheid. Omdat Hij Zich in onze naam en in onze plaats onderwierp aan de wet, hoewel vrij van zonde, maar (omwille van ons) de zonde en de gevolgen ervan op Hem werden geladen, verwierf Hij in de dagen van Zijn vernedering, een oprechte sympathie met de arme mensenkinderen. Hij weet van de zonde en haar gevolgen. Hij kent al onze verzoekingen door het lijden en de oefeningen die Hij voor ons onderging, zodat Hij zeer bekwaam is om ons te vertroosten en verlichten. Vandaar de aanmoediging: Wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest.

Als ik daar ook Zijn macht, beloften en genade aan toevoeg, en dat Hij verheven is om medelijden te hebben, te verlichten en te redden, krijg ik moed. Bij Hem durf ik vrij te zijn. Ik ben niet verdrietig, maar blij, dat Hij mij volmaakt kent, en dat er geen gedachte van mijn hart voor Hem verborgen is. Want zonder deze oneindige en exacte kennis van mijn toestand, zou Hij mij niet kunnen genezen. Maar waar dwaal ik heen? Ik schijn de engel al uit het oog verloren te hebben. Want ik wil toch nog even op deze engel terugkomen. De engel kan geen daadwerkelijk medelijden met mij hebben, maar hij kan mij alleen bemoedigen en onderwijzen. In de eerste plaats neem ik aan dat deze engel zichzelf een vreemdeling en pelgrim op aarde vindt. Hij zou de hemel als zijn woonplaats niet vergeten.

Hij zou zeker alle drukte van het menselijk leven (voor zover het doel van zijn zending hem er niet mee verbindt) met meer onverschilligheid bekijken dan wij kijken naar de spelletjes van kinderen, of het vermaak van idioten en gekken, die ons eerder ongerust maken dan een verlangen opwekken om eraan deel te nemen. Hij zou alles om hem heen beoordelen op grond van de betekenis en de neiging die het heeft om de wil van Hem die hem gezonden heeft te bevorderen. De meest bijzondere of schitterende verschijning zou vanuit een ander gezichtspunt beschouwd, totaal geen indruk op hem maken. Daardoor zou het zijn enige doel en verlangen zijn om de wil van God te vervullen. Alle situaties zouden voor hem gelijk zijn. Of hij nu, zoals in het geval van Sanherib de opdracht kreeg een machtig leger met een slag te vernietigen, of, zoals in het geval van Hagar, een vrouw, een slavin te verzorgen. Beide diensten zouden voor hem even eervol en belangrijk zijn, omdat hij in beide gevallen zijn God zou behagen.

Ook zou de engel ongetwijfeld een opvallend voorbeeld van welwillendheid vertonen; want vrij van zelfzuchtige vooringenomenheid, vervuld van een besef van de liefde van God en de kennis van Zijn aanbiddelijke volmaaktheid, zou zijn hele hart, ziel en kracht, zowel uit plichtsbesef als uit neiging, worden ingezet om de ellende te verlichten en het geluk van allen om hem heen te bevorderen. En hierin zou hij het voorbeeld volgen van Hem Die goed doet aan allen door Zijn zon te laten opgaan en Zijn regen te laten vallen op de rechtvaardigen en de onrechtvaardigen. Maar in dit alles zou hij een bijzondere aandacht tonen aan het huisgezin van het geloof.

Een engel zou maar weinig deelnemen aan discussies, twisten en ruzies, die tijdens zijn verblijf hier zouden kunnen plaatsvinden. Hij zou een vriend zijn voor iedereen, voor zover dat in overeenstemming is met het algemeen welzijn. De wil en de eer van God zijn het grote doel van de engel, en hij heeft een levendiger besef van de werkelijkheid van de ongeziene wereld dan wij ons nu kunnen voorstellen. Engelen, hoewel niet met bloed verlost, voelen zich toch nauw betrokken bij het werk van de verlossing. Ze zijn begerig de geheimen ervan in te zien. We mogen aannemen dat ze goed bekend zijn met de werken van de schepping en de voorzienigheid.

Maar (in tegenstelling tot veel mensen, die tevreden zijn met de kennis van astronomie, wiskunde of geschiedenis) onderzoeken en doorgronden zij de raadsels van de verlossende liefde, verheugen zich over de bekering van een zondaar, en achten zich zeer toegewijd als dienende geesten om de erfgenamen van het heil te dienen. Het is voor hem dan ook de grootste vreugde om hun zaak te steunen en te bevorderen, en om al zijn talenten en invloed aan te wenden voor de verspreiding van de heerlijkheid en de kennis van de Naam van Jezus, dat het enige en doeltreffende middel is om zondaars uit de slavernij en duisternis te brengen in de heerlijke vrijheid van de kinderen van God.

Ten slotte, hoewel zijn ijver voor de eer van zijn God hem gewillig zou maken om hier te blijven tot hij het werk dat hem gegeven was te volbrengen, zou hij, daar ben ik van overtuigd, met verlangen uitkijken naar het vastgestelde moment van zijn terugroeping, opdat hij bevrijd zou zijn van het aanschouwen van de zonde en ijdelheid van hen die God niet kennen, zodat hij zijn verantwoording met vreugde zou kunnen afleggen en in de hemel verwelkomd zou worden met de woorden: “Goed gedaan, goede en trouwe dienaar”.

Hij zou hier zeker naar verlangen, zoals een arbeider naar de ondergaande zon; en zou geen verbondenheid hebben met de dingen van de tijd, waardoor hij zou wensen dat zijn afwezigheid een enkel uur langer zou duren dan de periode van zijn voorgeschreven dienst. Helaas, waarom ben ik niet meer als een engel! Maar toch is mijn begeerte hetzelfde als die van een engel.

Mijn motieven en verplichtingen zijn nog sterker; want een engel is niet zoveel verschuldigd aan de genade van God, als een gelovige zondaar, die eens op de rand van het verderf stond, met bloed is verlost, en rechtvaardig en zonder hoop opgesloten had kunnen zitten onder de machten der duisternis!

Hoewel de kleinste dingen voldoende zijn om mijn opvattingen te verzwakken, mijn werkzaamheid te verminderen en mijn inspanningen in de dienst van de Heere te belemmeren, moet ik toch belijden dat ik geen ander doel of verlangen heb dan een voortzetting van dit engelenleven dat ik zo begeer.
Ik ben, enz.
Augustus, 1775.