Brieven aan een edelman: Negentiende brief

Jon Newton Brieven

MY LORD!

Ik stem in met de woorden van onze Heere: “Zonder Mij kunt gij niets doen;” niet alleen op grond van het gezag van Hem die dit zei, maar op grond van hetzelfde onweerstaanbare en proefondervindelijke bewijs, als wanneer Hij mij gezegd zou hebben, dat ik de zon niet kan laten schijnen, of de loop van de jaargetijden niet kan veranderen. Hoewel mijn pen en mijn tong zich soms ongehinderd voortbewegen, overtuigt het totale onvermogen en de geestelijke matheid waaronder ik op andere momenten gebukt ga, mij ervan dat ik in mijzelf niets heb om een goede gedachte te denken. Bovendien geloof ik dat het niet anders zou zijn als die kleine hoeveelheid kennis en bekwaamheden die ik maar al te graag als de mijne beschouw, duizendmaal groter zou zijn dan dat zij nu zijn.

Voor elke nieuwe plichtsbetrachting heb ik weer een nieuwe voorraad nodig. Bovendien kan ik niets van mijn veronderstelde voorraad in de praktijk brengen, dan alleen door Zijn onmiddellijke hulp. Zij die de meeste gaven bezitten, ondervinden Zijn genadige invloed, zoals het water voor de molen is, of de wind voor het schip, zonder welke het gehele apparaat bewegingsloos en nutteloos is. Ik ben bang dat wij veel vertroostingen moeten missen omdat wij ons onze onafgebroken afhankelijkheid van Hem dikwijls niet beseffen. Doordat wij Zijn manier van werken uit het oog verliezen, merken wij vaak niet op wat wij van Hem ontvangen.

Misschien nemen wij het te vanzelfsprekend aan, dat uit Zijn mededelingen een soort van voelbare indruk moet voortkomen dat zij van Hem zijn, en daarom zijn wij bereid onze eigen ijver of vindingrijkheid de eer te geven voor die prestaties, waarin wij een dergelijke indruk niet kunnen waarnemen. Toch is het heel goed mogelijk dat wij onder Zijn invloed staan wanneer wij ons daar helemaal niet van bewust zijn. En hoewel hetgeen wij zeggen, schrijven of doen op geen enkele manier bijzonder lijkt, is het mij vaak opgevallen dat wij op het ene moment wel en op het andere moment niet tot dergelijke gedachten worden gebracht, gezien de omstandigheden die zich daarbij voordeden, of de gevolgen die daaruit voortkwamen.

Hoe dikwijls ben ik, bij de keuze van een tekst, of in het verloop van een preek, of in een brief aan een vriend, ertoe gebracht om op het juiste moment een goed woord te spreken! En hetgeen ik in het algemeen had gezegd, paste zo precies bij een zaak die ik totaal niet kende, dat ik het nauwelijks zo goed had kunnen treffen als ik er tevoren van op de hoogte was geweest. Sommige van dit soort gevallen zijn zo opmerkelijk geweest, dat er nauwelijks twijfel kan bestaan aan een superieure macht. De gelovigen in Jezus, hoe onwaardig ook, zijn de tempels van de Heilige Geest; de Heere leeft, woont en wandelt in hen; Hij is hun leven en hun licht.

En als Hij beloofd heeft hen te leiden met Zijn oog, en in hen te werken zodat zij verlangen te doen wat Hem behaagt, dan mogen wij hetgeen ik gezegd heb, ja zelfs meer, redelijkerwijs van Hem verwachten. De regel in de hymne: “Help I every moment need” is geen overdreven uitdrukking, maar strikt en letterlijk waar, niet alleen in noodgevallen, maar ook in onze kalmere uren en op onze meest vertrouwde wegen. Deze genadige bijstand wordt op een voor onszelf onmerkbare wijze verleend om trots voor ons te verbergen, en om te voorkomen dat wij onverschillig en onachtzaam zijn met betrekking tot het gebruik van de aangewezen middelen. Het zou overvloediger, en misschien meer voelbaar verleend worden, als onze ziel meer eenvoudig was in het wachten op de Heere.

Maar, helaas, een verdeeld hart, een buitensporige gehechtheid aan een of ander tijdelijk voorwerp, maakt onze ziel somber (ik spreek voor mijzelf), en bedroeft de geest van de Heere; zodat wij in duisternis en op afstand wandelen. En hoewel wij tot grote voorrechten geroepen zijn, leven wij er ver onder. Maar ik denk dat de gedachte aan Hem die altijd nabij is, en van Wie wij onophoudelijk afhankelijk zijn en moeten zijn, een krachtig motief zou moeten zijn voor de meest nauwgezette aandacht en naleving van Zijn wil. Want zodra de Heere zich terugtrekt worden wij blind, waardoor wij zelfs bij het helderste licht en op de meest vlakke grond bij elke stap dreigen te struikelen, of beter gezegd, er zeker van zijn te struikelen.

Hoewel er een bewustzijn en wilsbesluit is dat voldoende is om onze gedachten en voorstellingen de onze te noemen, geloof ik toch dat de mensheid in het algemeen meer onder een onzichtbare macht staat dan zij beseft. De Heere leidt, spoort aan, weerhoudt of waarschuwt Zijn volk, rechtstreeks vanuit Hemzelf of door de bediening van Zijn heilige engelen.

Zo is er ongetwijfeld ook een, wat ik zou kunnen noemen, duistere ingeving. Namelijk, de beïnvloeding van de boze geesten die in de harten van de ongehoorzamen werken, en die niet alleen hun wil prikkelen, maar ook hun krachten bijstaan. Zij stellen hen in staat en zetten hen er toe aan om ijverig goddeloos te zijn, en grootschaliger onheil te stichten, dan zij uit zichzelf zouden kunnen voortbrengen. Ik beschouw bijvoorbeeld Voltaire, en vele schrijvers van hetzelfde kaliber, als weinig meer dan secretaressen en bedienden van iemand die onnoemelijk veel meer verstand en behendigheid heeft in het bevorderen van ontrouw en immoraliteit, dan zijzelf kunnen beweren te bezitten. Zij hebben, voor een tijdje, de eer (als ik het zo mag noemen) van het middel dat zij gebruiken. Maar de wereld heeft geen idee wie de echte en oorspronkelijke auteur is van die filosofie en poëzie, van die mooie wendingen en levendige uitvindingen die zo algemeen bewonderd worden. Velen die nu om hun genialiteit worden bejubeld, zouden misschien betrekkelijk dwazen zijn geweest als zij niet bezig waren geweest met een zaak die satan met zoveel belang steunt.

Maar ik zal terugkeren naar een meer aangenaam onderwerp. Hoe groot en eervol is het voorrecht van een ware gelovige! Het feit dat hij noch wijsheid noch kracht in zich heeft is geen nadeel; want hij is verbonden met oneindige wijsheid en almachtige kracht. Hoewel zwak als een worm, worden zijn armen gesterkt door de machtige God van Jakob. Alleen dingen die zich voordoen binnen het bereik van zijn plicht en roeping worden mogelijk, ja gemakkelijk voor hem.

De God, die hij dient, belooft hem de kracht te geven die hij nodig heeft, of het nu een dag van dienen of van lijden is. En toch, al is hij zwak en is zijn verstand beperkt en is hij uiterst vatbaar voor vergissingen en beïnvloeding, zal hij, wanneer hij met kinderlijke eenvoudigheid raad en leiding van de Heere vraagt, zelden een verkeerde stap doen. Althans niet in zaken van belang; want zelfs zijn vergissingen zullen ten goede worden gekeerd. Als hij zijn ware toestand vergeet, en denkt dat hij iets is, merkt hij dadelijk dat hij helemaal niets is; maar als hij er vrede mee heeft niets te zijn en niets te hebben, vindt hij zeker een tijdige en overvloedige openbaring van alles wat hij verlangt.

Zo leeft hij net als Israël in de woestijn, van louter genade; maar dan is het een genade die onveranderlijk, onuitputtelijk en algenoegzaam is. Wanneer Mozes spreekt over de middelen die de Heere gebruikte om Israël te vernederen, noemt hij het manna waarmee Israël gevoed werd als één middel. Ik begreep dit een lange tijd niet. Ik dacht dat zij eerder het gevaar liepen trots te worden, toen zij zagen dat zij op zo’n buitengewone wijze van voedsel werden voorzien. Maar het manna was niet houdbaar, zij konden het niet opsparen; en daarom waren zij van dag tot dag in een toestand van volkomen afhankelijkheid. Deze bepaling van God was zeer geschikt om hen te verootmoedigen.

Zo is het ook met ons in het geestelijk leven. Wij zouden er wellicht de voorkeur aan geven om in één keer te worden voorzien van een bepaalde voorraad of een voldoende hoeveelheid wijsheid en kracht, zodat wij daarop kunnen vertrouwen, in elk geval voor onze alledaagse gelegenheden, zonder dat wij door een gevoel van onmacht gedwongen zijn om voortdurend in alles wat wij doen en nodig hebben onze toevlucht tot de Heere te nemen. Maar Zijn weg is de beste. Door ons arm en ledig te houden en ons van minuut tot minuut te voorzien in onze behoefte, wordt Zijn heerlijkheid het meest getoond, en onze veiligheid het meest gewaarborgd. Dit zal hoogmoed voorkomen en een gevoel van dankbaarheid in ons hart doen ontwaken. Het is zeer geschikt om ons tot gebed aan te sporen en geeft ons duizend gelegenheden tot lofprijzing, die anders aan onze aandacht zouden ontsnappen.

Maar wie of wat zijn wij, dat de Allerhoogste zo naar ons omziet, ons elke morgen bezoekt en ons elk ogenblik bewatert? Het is een verbazingwekkende gedachte dat God zo bij mensen woont! Dat Hij, voor Wie de machtigste aardse potentaten minder zijn dan niets en ijdelheid, Zich zo buigt en aanpast aan de situatie, de behoeften en de bekwaamheden van de zwaksten, de geringste en de armsten van Zijn kinderen! Maar zo heeft het Hem behaagd. Hij ziet en denkt niet als een mens.
Ik ben, enz.
23 Februari, 1775.