Brieven aan een edelman: Dertiende brief

Jon Newton Brieven

MY LORD!

Sinds ongeveer zes weken heb ik de gelegenheid gehad om bijna dagelijks enige uren bij de zieken en stervenden door te brengen. Zulke tonelen zijn voor een leraar hetzelfde als wanneer een jong geneesheer het ziekenhuis bezoekt. De verschillende voorkomende gevallen strekken tot levende afbeeldsels en krachtige staving en opheldering van veel waarheden, die men weliswaar thuis kan leren, maar die men niet zó goed kan verstaan, en waarvan men de kracht niet zó nadrukkelijk kan voelen, zonder het voordeel van persoonlijke ondervinding en waarneming. Het is net als in de geneeskunde, waar algemene kennis nodig is, en die zij allen zonder onderscheid moeten bezitten, om het beroep uit te oefenen. Daarbij hebben zij doorgaans een bijzondere favoriete studie, waar de een meer interesse heeft in de kruidenkunde, en de ander in de scheikunde, en een derde in de ontleedkunde. Zo zijn ook leraren, elk naar hun verschillende neigingen en gaven, geïnteresseerd in deze of gene bijzondere tak in het stelsel van de Goddelijke waarheden om deze nauwkeurig te onderzoeken.

Sommige worden geleid, om de waarheden van het Evangelie te bevestigen en te verdedigen; sommige hebben de gave, van moeilijke plaatsen in Gods Woord te verklaren; andere zijn weer zeer bekwaam in het uitleggen van het profetisch gedeelte van de heilige Schrift; enz. Wat mij betreft, indien het mij voegt van mijzelf te spreken, en voor zover ik kan oordelen, is de ontleedkunde mijn begunstigde tak; ik bedoel, de studie van het menselijk hart, met zijn werkingen en tegenwerkingen; naar dat het op verschillende wijzen wordt aangedaan, in de staat der natuur of der genade, in de onderscheiden tijden van voorspoed, tegenspoed, overtuiging, verzoeking, ziekte en het naderen van de dood. De Heere heeft, door mij hier te zenden, mij tot dat einde in een goede school geplaatst. Ik weet niet waar ik een betere zou hebben kunnen vinden, of waar ik meer verscheidenheid van karakters, naar het getal van het volk, had kunnen aantreffen. En omdat het voor het grootste gedeelte arme mensen zijn, en zij vreemd zijn aan de wijze om zich anders voor te doen, wat een uitwerksel is van opvoeding, of verkeer met de wereld, zo is er in hetgeen zij zeggen of doen, een zekere eenvoudigheid, die mij van zeer groot nut is, in het beoordelen van hun gevallen.

Maar ik wilde van de sterfbedden spreken. Hoewel de zekerheid van de waarheden, op welke onze hoop gebouwd is, in de eerste plaats gewaarborgd wordt door het gezag van God, sprekende in Zijn Woord, en ze openbarende door Zijn Geest aan het ontwaakt gemoed — want zolang het geweten niet is ontwaakt, is het voor het bewustzijn van die zekerheid onvatbaar; nochtans zijn sommige van die waarheden zo geheimzinnig, zo geheel aanlopende tegen de begrippen van de bedorven natuur, dat, wegens de overgebleven invloed van het ongeloof en de vleselijke redeneringen, de verzoekingen van de satan, en de listige bedenkingen, waardoor sommige zogenoemde wijsgeren de grondslagen van ons geloof aantasten, de gemoederen van zelfs ware gelovigen soms kunnen geschud worden.

Ik weet geen krachtiger middel tot bevestiging van de Goddelijke waarheid, en tot ondersteuning van het gemoed in zulke aanvallen, dan de getuigenis van stervenden, in het bijzonder van hen, die afgezonderd van het rumoer van alle godsdienstige geschillen leefden, en wellicht nooit een letter gehoord hebben van hetgeen in deze boze dagen tegen de Godheid van Christus, Zijn voldoening, en andere gewichtige stukken, ingebracht is. Vergun mij, My lord, bij deze gelegenheid enige dingen te verhalen, welke mij uitermate troffen, in een gesprek dat ik had met een jonge vrouw, die ik voor omtrent twee jaar in haar laatste ziekte bezocht. Zij was iemand van een ingetogen, zedig gedrag en van een matig verstand, zij kon haar Bijbel lezen, maar had weinig anders gelezen; haar kennis van de wereld was beperkt tot de omtrek van haar dorp, want ik geloof dat zij zelden, indien ooit, in geheel haar leven twaalf mijlen van huis geweest is.

Zij had het Evangelie leren kennen, omstreeks zeven jaren voordat de Heere haar bezocht met een langzame ziekte (tuberculose), die haar uiteindelijk naar een betere wereld overbracht. Enkele dagen voor haar dood bad ik voor haar bij haar bed, en in mijn gebed dankte ik de Heere, dat Hij haar thans deed zien, hoe zij geen kunstig verdichte fabelen was nagevolgd. Toen ik geëindigd had, herhaalde zij dat woord, en zei: “Nee; geen kunstig verdichte fabelen, maar wezenlijke zaken; ik voel de waarheid, ik gevoel de troost ervan. O! zeg mijn vrienden, zeg mijn bekenden, zeg aan verlegen zielen, zeg aan arme zondaars, zeg aan al de dochters van Jeruzalem” – doelende op Hooglied 5:16, waaraan zij mij kort te voren verzocht had haar lijkrede te ontlenen – wat Jezus voor mijn ziel gedaan heeft. Zeg hun, dat ik thans, in de tijd van de benauwdheid, ondervind dat Hij mijn Beminde en mijn Vriend is, en Hem als zodanig hun aanprijs”: Daarop vestigde zij haar ogen op mij, en vervolgde, voor zover ik mij herinneren kan, aldus: “Mijnheer, u geniet een uitnemend voorrecht, dat u geroepen bent om het Evangelie te prediken. Ik heb u menigmaal met groot genoegen gehoord; maar vergun mij u te zeggen, dat ik nu zie, dat alles wat u gezegd hebt, of kunt zeggen, betrekkelijk slechts zeer weinig is. Ook zal het u, voor dat u in mijn toestand komt, en de dood en de eeuwigheid onmiddellijk voor ogen hebt, niet mogelijk zijn, het groot gewicht en de aangelegenheid van de waarheden die u predikt, recht te beseffen. O! Mijnheer, het is een grote zaak – te sterven! geen woorden kunnen uitdrukken, wat er nodig is om een ziel staande te houden in het geduchte stervensuur!”

Het was, geloof ik, de volgenden dag, dat ik haar wederom bezocht. Na enige redewisseling, als naar gewoonte, zei zij met veel vuur: “Bent u verzekerd, dat ik mij niet bedriegen kan?” Ik antwoordde, zonder dralen: “Ja, daarvan ben ik verzekerd. Ik schroom niet te zeggen, voor zover u in de Heere Jezus gelooft, Hem lief hebt, en al uw hoop op Hem blijft stellen, dat ik er mijn ziel onder durf te verpanden, dat u op de rechte weg bent.” Zij zweeg een poosje; daarna zei zij: “U zegt het goed. Ik weet dat ik op de rechten weg ben; ik voel, dat mijn hoop gebouwd is op de Rots der eeuwen; ik weet in Wie ik geloofd heb. Evenwel, indien u met mijn gen zien kon, dan zou u uw over mijn vraag niet verwonderen. De nadering van de dood ontsluit een gezicht, dat tot die tijd toe voor ons bedekt is en niet beschreven kan worden.” Zij zei nog veel dien aangaande; en alles wat zij sprak, ging vergezeld met zulk een nadruk, gewicht, en blijken van innige overtuiging, als ik geloof dat door weinige Hoogleraren in de Godgeleerdheid, in hun openbare lessen over dezelfde onderwerpen, immer zijn aan de dag gelegd. Wij mogen zeggen, met Elihu: Wie is een Leraar, gelijk Hij? Vele voorbeelden van dezelfde aard heb ik hier ontmoet.

Niet ver van hier woont een arm meisje, dat een zeer onnozel voorkomen heeft, en welks natuurlijke vermogens inderdaad zeer gering zijn; doch het heeft de Heere behaagd, haar beurtelings hevige aanvechtingen, en evenredig grote ontdekkingen van Zijn liefde en waarheid te doen ondervinden. Soms, wanneer haar hart verruimd is, hoor ik haar met verwondering. Ik geloof dat geen boeken of leraars mij zulk een indruk en begrip gegeven hebben van hetgeen de Apostel noemt: “de diepten Gods ” als dat ik bij sommige gelegenheden, tijdens de gesprekken met haar, verkregen heb. maar ik dwaal af. Mijn ontmoetingen bij de zieken zijn niet altijd even troostrijk; echter, indien ik opmerkzaam genoeg was, zouden ze niet minder leerzaam voor mij zijn. Sommigen bevestigen mij de dierbaarheid van de Verlosser, door de bemoediging, waarmee zij, door het geloof in Zijn Naam, de koning der verschrikking tegemoet gaan. Anderen bevestigen het niet minder, door de schrik en angst welke zij doen blijken, wanneer zij zien dat de dood hen nadert.

Want hoewel er maar al te veel zijn, die in hun gezonde dagen het zalig Evangelie jammerlijk verwaarlozen; hier ter plaatse echter zijn de meesten te goed onderwezen, zodat ze toch nog wel een beetje over hun zielstoestand nadenken wanneer zij op het sterfbed het gebruik van hun vermogens nog bezitten. Dan zeggen zij, net als de dwaze maagden: Geeft ons van uw olie! Dan willen zij wel, dat leraars en godvruchtige mensen voor hen bidden en met hen spreken. Door de goedheid van de Heere zijn er verscheidene geweest, die ik in deze omstandigheden bezocht heb, waarvan ik reden had wat goeds te hopen; en die, naar ik vertrouw, door Gods genade, schoon ter elfder ure, zalig veranderd werden. Ik zag somtijds, in weinige dagen, een verbazende en heilzame ommekeer in hun gemoedsgesteldheid, gezindheden, en taal. Tegenwoordig bezoek ik een jonge vrouw die in haar negentiende jaar door de longtering wel zal weggerukt worden, en waarschijnlijk niet veel dagen meer te leven heeft.

Ik vond haar zeer onkundig en ongevoelig, en dus bleef zij een lange tijd; doch ik hoop dat haar hart onlangs getroffen is. Zij voelt haar verloren staat, zij schijnt enige hogere begeerten te hebben, zij begint te bidden, en wel op zulk een wijze, dat ik niet nalaten kan te hopen, dat de Heere het haar leert, en dat Hij Zich aan haar ontdekken zal, eer zij sterft. Maar… soms is het anders. Afgelopen week zag ik een jonge vrouw sterven. Ik had haar dikwijls bezocht; maar in de nacht dat zij stierf, kon zij alleen zeggen: “O! ik kan niet leven! ik kan niet leven !” Zij herhaalde deze treurige klacht, zolang zij spreken kon; want naardien de ademhaling van tijd tot tijd meer belemmerd werd, veranderde haar spreken in steunen; en ook dit werd steeds zwakker, totdat zij een half uur nadat zij opgehouden had met spreken, de geest gaf. Arm schepsel, dacht ik, terwijl ik naast haar bed stond! al was u nu een vorstin, wat voor hulp of verlichting zou de wereld u in deze toestand kunnen brengen? Ik dacht ook: Hoe veel dingen zijn er, die ons thans genoegen of verdriet baren, en zich als zaken van groot belang aan ons voordoen, maar welke in het stervensuur zo weinig onze opmerking zullen verdienen, als de wolken die wij boven ons hoofd laten heen drijven! Dan zal de waarheid van Jezus uitspraak gezien, gevoeld, en erkend worden: Eén ding is nodig. En wij zullen helaas geredelijk de betuiging van de stervende Grotius, op een groot deel van ons leven willen toepassen: Ah vitam perdidi, nihil agendo laboriose. Uw Lordschap geeft mij vrijheid, om u onoverdachte brieven te zenden, ik hoef u niet te verzekeren, dat dit er een is.
Ik ben, enz.
10 Maart, 1774.