Brieven aan een edelman: Veertiende brief

Jon Newton Brieven

MY LORD!

Wat een voorrecht is het om afgescheiden te zijn in gevoelens, de wandel, en de belangen van een wereld die God niet kent! daar alle mensen van nature aan elkaar gelijk zijn. Slechts door genade alleen is er zulk een gelukkig en onuitsprekelijk groot onderscheid. De gelovigen waren weleer onder de invloed van diezelfde geest, die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid, wandelende op verschillende paden, doch alle evenzeer verwijderd van de weg der waarheid en vrede. Sommigen broeden basilisk eieren uit, en anderen weven spinnenwebben Jes. 59: 5. Deze twee algemene hoofdbronnen van onheil en ijdelheid, behelzen in zich al de ontwerpen, doeleinden, en bedrijven, waartoe de mens bekwaam is, totdat het God behaagt het hart met Zijn genade te bezoeken. Het opstandig gedeelte van de mens is werkzaam in het vermeerderen van kwaad en ellende. Zij die een meer stille levenswijze leiden, en zich toeleggen op beschouwingen en liefhebberijen, vermaken zich in dingen, die hierna zo wezenloos, onbestendig, en nutteloos blijken te zijn, als een spinnenweb.

Over een niet al te lange tijd zal de dood alles wegvagen wat de filosofen, slimme mensen, wiskundigen, oudheidkenners, en andere geleerde beuzelaars, thans met zoveel toejuiching van zichzelf weven. Ook zal het de fijn gesponnen opsmuk, waarmee de eigengerechtige en de werkheilige mens zich tooit, even weinig voordeel geven als het voortbrengsel van een spin. Doch het is aan enige weinigen gegeven, hun tegenwoordige staat, en hun toekomende bestemming te kennen. Deze zielen bouwen voor de eeuwigheid op de onwankelbare Rots der eeuwen. Het zijn bomen, voortspruitende uit een levenden wortel, en dragen vruchten der gerechtigheid, door Jezus Christus, tot heerlijkheid en eer van God. Alleen deze mensen zijn wakende, terwijl het overige deel van de wereld slaapt en zich overgeven aan ijdele dromen, waaruit zij echter binnenkort ontwaken zullen maar ach, met welk een ontsteltenis! Want zij al hun ingebeelde genietingen zullen hen onherroepelijk verlaten. Zij worden gedwongen om voor God te verschijnen waarvan zij vervreemd zijn, en aan Wie zij rekenschap moeten afleggen!

Oh! had ik maar duizend tongen om in de oren van onbedachte stervelingen die gewichtige spreuk van onze Heere te roepen: Één ding is nodig! Maar deze duizend tongen zouden tevergeefs roepen, tenzij het de Heere behaagt de waarschuwende stem van de wachters te vergezellen met de kracht en werking van Zijn Heilige Geest. De Mythologie verhaalt, dat Cassandra de gave bezat, toekomende gebeurtenissen te voorspellen, doch dat zij zich tevens in het harde lot moest troosten dat niemand haar woorden wilde geloven. Zodanig is het lot der predikers van het Evangelie ten aanzien van het grootste deel van hun hoorders. Zij zijn verlicht om de vreselijke gevolgen van de zonde te voorzien en zijn uitgezonden om die bekend te maken. Maar, helaas! Wat zijn er weinig mensen die hun woorden willen geloven! Wanneer ik onze droefheid en teleurstelling bij iets vergelijken wil, verbeeld ik mij soms een gevaarlijk water op de weg van zekere reizigers, over dat water ligt een brug over welke zij, die er zich toe laten bewegen, veilig over kunnen gaan.

Bij deze brug zijn oppassers gesteld om de voorbijgangers te waarschuwen voor het gevaar van het water; en hen te verzekeren dat iedereen die het probeert te doorwaden, onvermijdelijk moeten omkomen, zodat zij raad geven en verzoeken en bidden, indien zij hun leven lief hebben over de brug te gaan. Mij dunkt, dit te doen is voor de reizigers zeer licht. Nochtans, indien wij zien, dat het grootste gedeelte de oren dichtstopt voor de vriendelijke raad, er ook velen van hen zijn die zich erdoor beledigd voelen, en de zorg van de oppassers aanmerken als een onwaarheid, die het verdiend om met smaad beantwoord te worden. Terwijl nauwelijks één van de vijftig gebruik maakte van de gedienstige brug, en al de overige driftig in het water sprongen waaruit er niet één terug kwam, hadden zij besloten te wedijveren wie van hen het eerst verdrinken zou. Is dit schouwspel een onjuiste afbeelding van de behandeling dat het Evangelie bij een verblinde wereld ontmoet? De dienaars van het Woord worden veracht, weerstaan en verworpen; men noemt hen vaak onruststokers, omdat zij niet durven en niet kunnen zwijgen, terwijl zondaars onder hun ogen verloren gaan.

En mogen zij bij menigvuldige leerredenen die vrucht verlangen, dat één ziel zich laat waarschuwen, en de toevlucht tot Jezus neemt, die de Weg, de Waarheid en het Leven is; dan mogen zij dit aanmerken als een gunst en een eer, groot genoeg, om tegen al de arbeid en de smaad die zij moeten ondergaan, op te wegen. Van de meesten kunnen zij geen betere behandeling verwachten dan die Jeremia overkwam bij de Joden, die de Profeet in het aangezicht durfden te zeggen: Aangaande het woord, dat gij tot ons in des Heeren Naam gesproken hebt, wij zullen naar u niet horen; maar wij zullen ganselijk doen al hetgeen dat uit onze mond is uitgegaan. Jer. 44:16, 17. Waarlijk, indien de Heere ons enig besef heeft gegeven van de waarde van een onsterfelijke ziel, en enig medelijden met haar, dan moeten zulke bejegeningen ons zeer zwaar vallen. Wij zullen dan door ondervinding iets begrijpen van de aandoenlijke klacht van Jeremia: Och of mijn hoofd water ware, en mijn oog een springader van tranen! Zo zou ik dag en nacht bewenen de verslagenen der dochter mijns volks! Jer. 9:1. Het is dus onze plicht medelijden te hebben. Maar onze troost is gelegen in de wijsheid en vrijmacht van God. Hij openbaart de verborgenheden van Zijn Koninkrijk aan wie Hij wil; en dat is meestal aan de eenvoudigen.

Voor het meerendeel zijn ze voor de wijzen en verstandigen bedekt. Alzo behaagd het Hem; en daarom moet het goed zijn. Ja, eenmaal zal Hij Zich zo laag neerbuigen om de gepastheid en billijkheid van Zijn handelingen voor Zijn schepselen in het licht te stellen; dat alle mond gestopt zal worden, en niemand zal met enige schijn van grond zijn Rechter kunnen tegenspreken. Het licht is in de wereld gekomen, doch de mensen verkiezen de duisternis. Zij haten het licht, weerstaan het, en sluiten er hun ogen voor. Het is waar, alle mensen staan hier schuldig aan; en daarom, indien zij allemaal veroordeeld werden tot verdoemenis, zou hun verderf aan henzelf te wijten zijn. Het is uit genade dat enige behouden worden. In de toepassing van die genade, handelt God met het Zijne zo als het Hem behaagt: een recht, dat de meeste mensen zeer geredelijk zich toe-eigenen, in zaken die henzelf aangaan; terwijl zij onwillig zijn, om alles aan de Heere toe te kennen.

Er zijn al veel diepzinnige en bittere twisten over dit onderwerp gevoerd. Maar de verlosten van de Heere zijn niet geroepen om te twisten, maar om te bewonderen, en zich te verblijden. Om te beminnen, te aanbidden, en te gehoorzamen. De bewustheid dat Hij ons lief had, en Zichzelf voor ons overgaf, is de machtige drijfveer, en de krachtige beweegreden om Hem te beminnen en onszelf geheel aan Hem over te geven. Om onszelf niet meer aan te merken als van onszelf, maar ons met al onze vermogens, krachten en gaven, aan Zijn dienst en tot Zijn eer te heiligen. Hij is het waard dat wij ons geheel en onvoorwaardelijk aan Hem toewijden, omdat Hij alles voor ons verliet. Hij werd arm, Hij leed schande, smarten, dood en vloek, voor ons, zodat wij door Hem het eeuwige leven zouden verkrijgen. Helaas! Hoe ongevoelig is mijn hart, dat ik door deze gedachte niet meer getroffen, in verwondering opgetogen en geheel overmeesterd word!
Ik blijve, enz
Mei, 1774