Brieven aan mevrouw L: Tweede brief

Jon Newton Brieven

DEAR MADAM!

Ik verblijd mij dat u gezond bent. Van uw strijd versta ik iets. Paulus beschrijft zijn eigen toestand met enkele woorden: “Van buiten strijd, van binnen vrees”. Vat dit niet alles samen wat u wilde zeggen? Hoe moet u bij bevinding zowel uw eigen zwakheid als de kracht, wijsheid en genade van God leren kennen, die voldoende en op Zijn tijd wordt geschonken, anders dan door herhaalde en verschillende beproevingen? Hoe kan de genade van lijdzaamheid, berusting, zachtmoedigheid en geloof anders aan u ontdekt en vermeerderd worden dan door oefeningen?

De Heere heeft ons verkoren, geroepen en gewapend voor de strijd; zullen wij onszelf daarvan dan willen onthouden? Moeten wij niet liever verblijd zijn dat wij de eer hebben voor zo’n zaak op te komen, onder zo’n Overste, onder zo’n banier en in zulk gezelschap? Een volledige wapenrusting is ons verstrekt; wapens waartegen niemand bestand is. Verder kostbare balsem, om ons te genezen als wij onverwacht een wond oplopen, en kostbare olie om ons te verlevendigen als wij in gevaar zijn te bezwijken. Verder zijn wij er van tevoren zeker van dat wij zullen overwinnen.

O, welke kroon is er voor iedere overwinnaar klaargelegd, die Jezus, de rechtvaardige Rechter, de gezegende Zaligmaker, met Zijn hand op ieder hoofd zal plaatsen dat getrouw geweest is! Laat ons daarom niet vertragen of verflauwen, want te gelegener tijd zullen wij maaien wat wij gezaaid hebben. De tijd is kort. Nog een weinig tijd en de strijd tegen de inwonende zonde en het tegenspreken van de ons omringende zondaren zal niet meer vernomen worden. U bent gezegend, want u hongert en dorst naar de gerechtigheid. Hij Wiens Naam “Amen” is, heeft gezegd dat Hij u zal verzadigen. Aanspraak maken op de belofte is hetzelfde als haar eigenen, maar het betaamt ons onderwerping en lijdzaamheid te betrachten; niet alleen wat het tijdelijke betreft, maar ook in het geestelijke.

Wij behoren beschaamd en bedroefd te zijn over onze trage vorderingen, voor zover wij daar zelf schuldig aan zijn door onze nalatigheid en misdragingen. Wij moeten ook niet verwachten dat wij alles ineens ontvangen, maar een geleidelijke groei verwachten. Ook moeten wij niet vergeten dankbaar te zijn voor hetgeen wij als “een weinig” rekenen, vergeleken met het vele dat anderen, naar wij menen, hebben ontvangen. Een weinig genade, een vonkje ware liefde tot God, een kruimel levend geloof, al is die zo klein als een mosterdzaad, is duizend werelden waard. Eén dronk van het water des levens geeft deel aan en is een voorproefje van de hele Fontein. Het betaamt Gods kinderen dankbaar te zijn; Zijn goedheid te erkennen in hetgeen wij ontvangen hebben, is de zekerste en ook de verkieslijkste wijze om meer te verkrijgen.

De droefheid die ontstaat uit hetgeen wij gewaarworden en leren kennen uit ons eigen hart moet niet de heerlijkheid, de troost en de blijdschap wegnemen, die het Woord van God ons aanwijst in hetgeen er vermeld staat van de Persoon, de ambten en de genade van Jezus, én de betrekkingen waarin het Hem behaagd heeft te staan tot Zijn volk. (Zie Ps. 23:1; Jes. 54:5; Hoogl. 5:16; Joh. 15:15; 1 Joh. 2:1; Joh. 15:1; Jer. 23:5; 1 Kor. 1:30; Matth. 1:21-23).

Geef mij de vrijmoedigheid Psalm 89: 16 -19 in uw overdenking aan te bevelen. Deze verzen mogen wel ‘der gelovigen triomf’ genoemd worden. Hoewel de gelovigen niets zijn in zichzelf, mogen zij zich de ganse dag in Zijn Naam verheugen, daar zij alles in Jezus hebben. De Heere make ons bekwaam om dit te doen! De blijdschap des Heeren is de sterkte van Zijn volk, terwijl het ongeloof onze handen slap laat hangen, onze knieën doet wankelen, ons moedeloos doet zijn en anderen ook ontmoedigt.

Hoewel het ongeloof binnensluipt onder de schijn van nederigheid, is het feitelijk en in zijn wezen hoogmoed. Door inwendige en uitwendige oefeningen bevordert de Heere de beste begeerte van uw hart en beantwoordt Hij uw dagelijkse gebeden. Wilt u zekerheid hebben? De ware, vaste zekerheid verkrijgt men in geen andere weg. Als jonge christenen zeer vertroost worden met de liefde en de tegenwoordigheid des Heeren, zijn hun twijfel en vrees voor dat ogenblik ten einde, maar dat is geen zekerheid. Zodra de Heere Zijn aangezicht verbergt, zijn zij verschrikt en geneigd zelfs de grond van hun hoop te betwijfelen.

Zekerheid groeit door herhaalde strijd; doordat wij steeds weer bewijzen ervaren van de macht en goedheid van de Heere ter redding. Die bewijzen ervaren wij als wij erg in de diepte gebracht zijn en daaruit geholpen zijn, als wij zeer gewond en weer genezen zijn, terneder geworpen en weer opgericht, als wij alle hoop hebben opgegeven en plotseling uit gevaar gerukt zijn en in veiligheid zijn gebracht. Als ons zulke zaken herhaaldelijk zijn overkomen en ze duizend keren in ons waar zijn geworden, beginnen wij te leren ons betrouwen eenvoudigweg op de macht en het Woord van God te stellen; boven en tegen alle verwachtingen. Dit vertrouwen, als het vast en sterk is, draagt de naam van zekerheid, want zelfs zekerheid heeft gradaties.

Er is, mevrouw, goede reden te veronderstellen dat de liefde van de beste christenen tot een Zaligmaker Die niet gezien wordt, ver tekort schiet bij wat zij behoorde te zijn. Als uw hart net als het mijne is en u gaat uw hart onderzoeken voor wat betreft de warmte en de vurigheid van uw genegenheden tot Hem, dan zult u dikwijls in de droeve onzekerheid verkeren of u Hem wel of niet liefhebt. Het beste kenmerk ter beoordeling daarvan, dat Hij ons voor dit doel heeft gegeven, is te onderzoeken of Zijn Woord en wil een overheersende en richtinggevende invloed hebben op ons leven en karakter. Als wij Hem liefhebben, trachten wij Zijn geboden te houden, en dit geldt ook andersom: als wij begeren Hem te behagen, hebben wij Hem ongetwijfeld lief. Gehoorzaamheid is het beste criterium.

Als wij, te midden van al onze gebreken, in nederigheid een beroep kunnen doen op de oprechtheid van onze bedoelingen, is dat een zegen waarvoor wij ten zeerste dankbaar behoren te zijn. Hij, Die ons tot het willen heeft gebracht, zal ons ook in staat stellen te handelen naar wat hem behaagt. Ik twijfel niet, of de Heere, Die u liefhebt en op Wie u vertrouwt, zal u op een goede weg leiden en u bevestigen, sterken en gronden in Zijn liefde en genade. Hij heeft immers al grote dingen voor u gedaan. De Heere is uw Herder – een veelomvattend woord! De schapen kunnen voor zichzelf niets doen. De Herder moet ze leiden, de wacht over hen houden, ze weiden, hun wonden genezen en voor herstel zorgen.

Wel ons, dat onze Herder de Heere, de Almachtige is. Als Zijn macht, zorg, medelijden en Zijn volheid niet oneindig waren, zouden de arme schapen aan zichzelf overgelaten zijn, uitgehongerd en verscheurd zijn. Maar wij hebben een Herder Die vol zorg is, vol goedheid, vol macht; Die gezegd heeft: “Het verlorene zal Ik zoeken, het gebrokene zal Ik verbinden, het weggedrevene zal Ik wederbrengen, het kranke zal Ik sterken”. Wat zijn dat tere uitdrukkingen en wat worden die goed vervuld! Zijn schapen weiden te midden van de wolven en worden toch veilig bewaard; al zién zij Hem niet. Zijn ogen en Zijn hart zijn op hen gevestigd.

Wij vinden het een wonder dat Daniël in de leeuwenkuil werd bewaard. Wel, dat is toch een zaak die algemeen voorkomt! Wie van Gods kinderen heeft geen reden om te zeggen: “Mijn ziel verkeert te midden van de leeuwen?” De Engel des Verbonds stopt echter hun muil, of staat hen alleen toe om ze aan te gapen en te brullen, om hun tanden te laten zien en wat zij ook verder zouden willen doen, als het toegestaan werd, maar zij mogen het niet. Zij zullen ons niet bijten en verscheuren, zoals zij zelf willen. Laten wij op Hem vertrouwen en alles zal welgaan.

Wat de dagelijkse voorvallen betreft: het is het beste te geloven dat het dagelijks deel van troost en kruis, elk het meest gepast voor ons geval, wordt beschikt en voorgeschreven door de Hand van Hem Die voor ons aan het kruis genageld werd. Waarheen het pad van plicht en voorzichtigheid ons leidt, de beste omstandigheid wordt gevonden waar wij mogelijk op dat moment zouden moeten zijn. Er wordt niet van ons geëist dat wij onszelf meer dan nodig is, kwellen over hetgeen waartoe wij niet bij machte zijn het te voorkomen. Ook moeten wij iets, wat ons gelegenheid biedt de geest van zelfzucht te doden, niet onnodig achten.
Ik ben enz.
September 1764