Brieven aan – : Derde brief

Jon Newton Brieven

DEAR -,

Ik zie dagelijks, en ik hoop dat u dat ook geleerd hebt, dat een plaats waar we zijn, en uitwendige omstandigheden, op zichzelf ons niet kunnen verhinderen of helpen om te wandelen met God. Voorzover het Hem behaagt met ons te zijn en ons te leren door Zijn Geest, zullen wij vorderingen maken, waar we ook zijn. Als Hij ons niet zegent en ons niet ieder ogenblik bevochtigt, zullen wij, hoe meer er in ons is van onze eigen wil en wens, het onszelf des temeer ongemakkelijk maken. Eén ding is nodig: een nederige, afhankelijke geest, om onze eigen wil te verzaken en onszelf zonder enige reserve aan Hem over te geven.

Dat is het pad van vrede en veiligheid, want het is, zoals er geschreven staat: Hij zal de zachtmoedigen Zijn weg leren en Zijn oog zal zijn op degenen die zich aan Hem overgeven. Ik hoop dat u strijdt en bidt tegen elke opwelling van een murmurerende geest en dat u dankbaar bent voor de grote dingen die Hij reeds voor u heeft gedaan. Het is goed dat we ons over de zonde vernederen, maar niet dat we er moedeloos onder worden, want hoewel wij arme schepselen zijn, is Jezus een volkomen Zaligmaker. Wij eren God meer door te geloven in Zijn Naam en te vertrouwen op het Woord van Zijn belofte, dan met duizend uitwendige werkzaamheden. Ik bid God dat Hij het licht over uw ziel doe schijnen en dat Hij u met alle blijdschap en vrede in het geloven moge vervullen. Vergeet niet voor ons te bidden, dat wij weer in vrede bij u mogen terugkomen.
Ik ben, met alle toegenegenheid, enz.
14 Maart