Brieven aan – : Tweede brief

Jon Newton Brieven

DEAR -,

Het spijt mij dat ik niet datgene geschreven hebt wat u verwachtte, maar ik hoop dat dit nu wel zo is. Ik ben u echt niet vergeten; u bent dikwijls in mijn gedachten en zelden ontbreekt u in mijn gebeden. Ik hoop dat de Heere, terwijl u buitenshuis verkeert, datgene wat u ziet en hoort voor u van nut doet zijn, om uw kennis te vermeerderen, uw geloof te versterken en dat Hij u voortaan tevreden doet zijn met uw omstandigheden. Als ik mij niet vergis, bent u zich er wel van bewust dat, hoewel er in Londen enkele begerenswaardige dingen zijn, waarmee u in contact wenst te komen en die te verkiezen zijn boven andere plaatsen, over het algemeen de rustige sfeer op het platteland onder een geregelde woordbediening- in vereniging met hetzelfde volk- voordelen heeft. Het is wel aangenaam om zo nu en dan gelegenheid te hebben om verschillende predikanten te horen, maar de besten en de voornaamsten van hen zijn niet meer dan instrumenten. Sommigen kunnen het gehoor beter strelen dan anderen, maar niemand van hen kan het hart meer bereiken dan de Heere het belieft te openen. Dat heeft Hij u getoond toen u voor de eerste maal opging en ik twijfel niet, of uw teleurstelling heeft u meer goed gedaan dan dat u met volledig genoegen had mogen luisteren, zoals u verwachtte.

Het behaagde de Heere mij met een lichte ziekte te bezoeken tijdens mijn recente rondreis. Ik was op dinsdag helemaal niet goed, maar ik dacht dat het door de vermoeidheid van het rijden kwam en door het warme weer. De dag daarop kreeg ik echter rillingen, waarop koorts volgde. Ik was toen bijna zestig mijl van huis. De Heere gaf mij veel vrede in mijn ziel en Hij deed mij hopen dat Hij mij veilig en wel thuis zou brengen, waarin ik niet werd teleurgesteld. Hoewel ik het grootste deel van de weg koorts had, was mijn reis toch niet ongemakkelijk. Hij heeft mij ook kracht gegeven om zondags tweemaal te preken en ’s avonds voelde ik mij weer beter; alleen was ik heel moe. Sinds die tijd voel ik mij goed. Ik heb reden om veel van Zijn goedheid te spreken en de roede te kussen, want die werd verzacht door een overvloed van zegeningen. Als het Hem had behaagd mij ziek in Oxford te laten blijven, of dat ik daar zelfs zou zijn gestorven, zou ik er niets op tegen hebben gehad. Hoewel ik niet die blijdschap en die gevoelige troost had, waarmee sommigen bedeeld zijn, was ik toch helemaal vrij van pijn, vrees en bezorgdheid, en voelde ik mij stil en gerust onder Zijn beleid, wat er ook van komen zou. Zo vervult Hij Zijn belofte, door ons kracht te geven naar de mate dat wij die nodig hebben, en iedere nieuwe beproeving verschaft ons een nieuw bewijs hoe gelukkig het is, als wij in staat gesteld worden ons betrouwen op Hem te stellen.

Ik hoop dat u te midden van al uw bezigheden, wat tijd kunt vinden om Zijn goede Woord te lezen en aan Zijn genadetroon uw opwachting te maken. Het is goed voor ons nabij God te zijn. Het is een eer als Hij ons vergunt om te bidden en wij zullen zeker ervaren dat Hij een God is. Die een Hoorder is van het gebed. Tracht ijverig te zijn in de middelen der genade, maar waak en strijd tegen een wettische geest die het er altijd op gemunt heeft Hem als een harde Meester voor te stellen; die er als het ware op uit is voordeel van ons te behalen. Het is echter totaal anders: Zijn Naam is liefde! Hij ziet ons aan met medelijden; Hij weet wat voor maaksel wij zijn, gedachtig zijnde dat wij stof zijn. En als onze gebreken de overhand op ons hebben, wil Hij niet dat wij moedeloos zijn. Dan herinnert Hij ons eraan dat wij een Voorspraak bij de Vader hebben, Die medelijden kan hebben. Die vergeving kan schenken en Die volkomen kan zalig maken. Denk aan de namen en betrekkingen die Hij voor ons draagt. Noemt Hij zichzelf niet Zaligmaker, Herder, Vriend, Man? Heeft Hij ons niet Zijn liefde. Zijn bloed. Zijn gerechtigheid. Zijn beloften. Zijn macht en Zijn genade bekendgemaakt, en dat alles tot onze bemoediging?

Weg dan met alle twijfel en ongelovige gedachten; die zijn niet alleen een kwelling voor uw hart, maar zij verslappen ook uw handen. Neem toch op grond van Zijn Woord voor waar aan dat u de Zijne bent en Hij de uwe; dat Hij u heeft liefgehad met een eeuwige liefde en dat Hij u daarom getrokken heeft met goedertierenheid; dat Hij zeker zal voleinden wat Hij heeft begonnen en dat er niets is wat men kan noemen of bedenken, dat u ooit van Hem kan scheiden. Deze overtuiging zal u kracht geven in de strijd. Dat is het schild dat de vurige pijlen van de satan zal uitblussen. Dat is de helm waar de vijand niet doorheen kan schieten. Als wij daarentegen doorgaan in twijfel en vrees, en bang zijn dat wij niet meer vertrouwen hebben dan wij gevoelen, zijn wij zo zwak als water en worden wij gemakkelijk overwonnen. Wees daarom gesterkt, niet in uzelf, maar in de genade die in Christus Jezus is.
Bid voor mij en geloof dat ik waarlijk ben, enz.
31 Mei, 1769