Brieven aan de heer A: Tweede brief

Jon Newton Brieven

DEAR SIR!

Allereerst moet ik u vriéndelijk verzoeken, mij van alle bedwang te willen ontslaan, aangaande de lengte van mijn brieven, of het spoedig beantwoorden van de uwe. Wees ervan verzekerd dat ik aan u denk en voor u bid, hoewel ik niet aan u schrijf. Uw correspondentie is zo niet zo uitgebreid als de mijne, en daarom kunt u ook meerdere malen schrijven. Uw brieven zullen mij altijd welkom zijn; en ik zal u schrijven, zo vaak ik genoegzame tijd kan vinden, en ik u iets te melden heb.

U schijnt ongevoelig te zijn voor uw meest in het ooglopende gebreken en voor het feit daar berispingen en vermaningen over te accepteren. Daarom hoop en vertrouw ik dat de Heere u daarin meer en meer zal doen overwinnen. U moet niet verwachten dat verkeerde gewoonten en stemmingen direct uitgeroeid zullen zijn, maar door volharding en gebed, én door aandacht te schenken aan uw ervaringen van elke dag, kan te zijner tijd veel worden bereikt. Nu en dan zult u, zoals in elke strijd voorkomt, een veldslag verliezen. Wees echter niet ontmoedigd, maar verzamel uw strijdkrachten weer en begeef u opnieuw tot de strijd. Er is een troostwoord, een blad van de boom des levens, ter genezing van de wonden die wij oplopen, in 1 Johannes 2:1. Als de vijand u verrast en uw hart u beschuldigt, wees dan niet verbaasd, alsof er geen hulp is, en geef ook niet toe aan droefheid, alsof er geen hoop is, en probeer ook niet uzelf te genezen, maar vlucht onmiddellijk tot de troon der genade, tot de grote Heelmeester, tot de medelijdende Hogepriester, en vertel Hem alles. Satan weet dat, als hij ons van de belijdenis van schuld kan afhouden, onze wonden gaan steken; profiteer dan toch van Davids ondervinding in Psalm 32: 3-5.

Als wij eenvoudig en oprecht zijn, en onszelf verootmoedigen voor de Heere, al hebben wij dwaas gehandeld en zijn ondankbaar geweest, zal Hij ons zelden lang aan onszelf overlaten, zonder ons een gevoel van Zijn medelijden te verschaffen, want Hij is genadig. Hij weet wat maaksel wij zijn en hoe Hij ons moet behandelen, hoewel wij nauwelijks met onszelf weten om te gaan, of met elkaar. De hoofdzaak is dat ons hart oprecht met de Heere is. Dat zal ons uiteindelijk veilig door vele gebreken en grote fouten heenbrengen. Maar dubbelhartigheid en een zelfzuchtige geest, die God en de wereld wat wil geven, is de Heere een gruwel. Hoewel ik nog niet veel gelegenheid heb gehad om uw voorzichtigheid te prijzen, heb ik altijd een goede dunk gehad van uw oprechtheid en rechtschapenheid. Als ik mij niet vergis, twijfel ik niet aan het feit dat u veel goed doet. Als het de Heere behaagt u te zegenen, zal Hij u ongetwijfeld nederig maken, want u kunt niet gelukkig zijn, en ook niet gerust zijn of enigszins hoop hebben dat u nuttig blijft, zonder vernederd te worden. Ik weet niet of er in het contact met u iets is wat mij zozeer weegt, als u een indruk te geven van het besef van de noodzakelijkheid en de voordelen van een nederige geest.

Ik hoop dat dit niet tevergeefs is geweest. O, dat wij toch in eigen oog maar klein mogen zijn! Dat is de grond van elke genadegave. Dit leidt tot een voortdurende afhankelijkheid van de Heere Jezus. Dit is de gestalte die Hij beloofd heeft te zullen zegenen. Dit geeft ons ook de garantie dat wij een welwillende ontvangst bij de mensen hebben, want wie zichzelf vernedert, zal zeker geëerd worden. Dat deze gestalte zo moeilijk is te bereiken en te behouden, is een treffend bewijs van onze verdorvenheid, want zijn wij geen zondaren? Waren wij geen opstandelingen en vijanden, voordat wij met het Evangelie kennismaakten? Zijn wij sindsdien niet ontrouw, afvallig en onnut geweest? Moeten wij niet verzoend worden door het bloed van Jezus en kunnen wij één ogenblik bestaan zonder dat Hij ons staande houdt? Hebben wij iets wat wij niet ontvangen hebben, of hebben wij iets ontvangen wat wij niet misbruikt hebben? Waarom is stof en as dan zo hoogmoedig?

Ik ben blij dat u in uw onvruchtbare omgeving enige geestelijke vrienden hebt gevonden. Ik hoop dat u hun tot een hulp mag zijn, en zij u. U doet er goed aan u te wachten voor alle schijn des kwaads. Als u van harte de keuze voor Jezus hebt mogen doen, zal satan een wrok tegen u koesteren. Op de een of anderen wijze zal hij proberen u werkeloos te maken en de Heere kan hem toelaten tot het uiterste te gaan. Maar hoewel u hem in het oog moet houden en moet verwachten dat u hem bij elke stap kunt horen, behoeft u geen slaafse vrees voor hem te hebben, want Jezus is sterker en wijzer dan hij en er is een volle wapenrusting beschikbaar voor allen die zich aan de Heere verbonden hebben.
Ik ben, enz.
7 Januari 1767