Brieven aan mevrouw T: Vierde brief

Jon Newton Brieven

DEAR MADAM!

Wat zal ik zeggen tot mijn verontschuldiging? Hoe heb ik uw verplichtende brief zolang onbeantwoord kunnen laten, terwijl uw vriendelijke bezorgdheid voor ons u noodzaakte te schrijven! Ik schaam mij over het uitstel. U zou eerder een brief van ons hebben ontvangen als ik thuis was geweest. Maar ik heb reden om de Heere te danken dat wij slechts enkele dagen voor de brand door Zijn Voorzienigheid in Londen moesten zijn; zodat mijn waarde huisvrouw door Gods goedheid bewaard is van de schrik en de ontroering, die haar getroffen zou hebben als zij zich hier bevonden had. Uw brief volgde mij herwaarts, en was meer dan een week lang na mijn terugkomst in mijn bezit. Elke dag nam ik mijzelf voor om te schrijven; maar mijn tijd was inderdaad zeer bezet. Maar dit is geen verontschuldiging; ik had liever wat minder tijd aan eten of slapen besteed, dan onachtzaam of ondankbaar te lijken. Vandaag bekijk ik de eerste brieven sinds mijn thuiskomst. Er zijn twaalf huizen afgebrand; en het was een gunstbewijs van de Voorzienigheid, en haast een wonder, dat niet de hele plaats is vernield — wat menselijkerwijs gebeurd zou als de wind niet gestild was toen tweederde van de gebouwen in vuur en vlam stonden. Geen mens heeft hierbij het leven verloren; ook is er niemand ernstig verwond; en ik geloof, dat de mededeelzaamheid van de weldadigen het verlies zeer dragelijk zal maken. De brand was ongeveer zeven minuten van mijn huis verwijderd.

Uw dringende vraag beperkt mij thans tot een gedeelte van uw brief en wijst mij het onderwerp aan, maar tegelijkertijd legt u mij een moeilijkheid op. Ik wil u niet graag pijn doen en ik hoop dat de Heere mij geleerd heeft dat ik ook niet beoog iemand te vleien. Ik houd mij niet op met iemand complimenten te geven en godsdienstige complimenten zijn daaronder het meest ongepast. Maar waarom mag ik niet mijn gevoelen uitdrukken ten aanzien van de genade Gods, die in u, zowel als in anderen, openbaar komt? Ik geloof dat in ons aller hart alle goed ontbreekt en dat het geneigd is tot alle kwaad. Net als geld uit dezelfde munt draagt ons hart hetzelfde stempel van totale verdorvenheid. Genade maakt het echter anders en genade levert stof tot roemen. U hoeft u misschien toch niet zo onbehaaglijk te voelen als anderen beter van u denken, of moeten denken, dan u van uzelf denkt. Als ik dat doe, hoe kan ik dat anders doen dan dat ik mijn oordeel geheel grond op hetgeen u zegt en schrijft? Ik heb er wel wat op tegen dat u mij dringend voorschrijft uw staat te onderzoeken en te beoordelen.

Ik dacht dat u ongetwijfeld wel wist wat uw denkbeelden en begeerten zijn; ja, u drukt die uit in uw schrijven, en wel in volledige overeenstemming met wat de Schrift zegt van de beginselen, de begeerten en gevoelens van een christen. Het is wel waar dat u ook tegenstrijdige beginselen voelt; dat u zich bewust bent van gebreken en onreinheid. Maar het is evenzeer waar dat u niet oprecht zou zijn, als u deze zaken niet zou gevoelen. Zich daarvan bewust zijn en daarover vernederd zijn, is een van de zekerste kenmerken van genade. Als men daar een dieper gevoel van heeft dan tevoren, is dat het beste bewijs van groei in de genade. Maar als de vijand ons verzoekt tot twijfel en ongeloof, omdat wij niet volmaakt zijn, valt hij niet alleen onze vrede aan, maar ook de eer en de getrouwheid van onze gezegende Heere. Onze gerechtigheid is in Hem en onze hoop is niet afhankelijk van de oefening van genade in ons, maar van de volheid van genade en liefde in Hem en van Zijn gehoorzaamheid tot de dood.

Er is, beste mevrouw, verschil tussen de heiligheid van een zondaar en die van een engel. De engelen hebben nooit gezondigd, maar zij hebben ook nooit verlossende liefde gesmaakt. Zij hebben geen inwendige strijd, geen wet der zonde die in hun leden woedt. Hun gehoorzaamheid is volmaakt, hun geluk is volkomen. Maar als ik onder de verloste zondaars mag gevonden worden, behoef ik niet te verlangen een engel te worden. God wordt wellicht niet minder verheerlijkt door uw gehoorzaamheid -om u daar niet van te doen schrikken, zal ik eraan toevoegen: en door die van mij- dan door die van Gabriël. Het is immers een krachtige openbaring van Zijn genade, als die kan leven, werkzaam kan zijn en kan overwinnen in harten zoals wij hebben, zodat ondanks een boze natuur en een boze wereld en al het geweld en de list van de satan, een zwakke worm nog steeds onderhouden wordt en in staat gesteld wordt niet alleen de bergen te beklimmen, maar die te dorsen. (Jes. 41:15), en dat een kleine vonk bewaard wordt te midden van stormen en watervloeden.

In deze omstandigheden moeten wij het werk der genade niet alleen beoordelen naar het onvolmaakt uitwendig voorkomen, maar naar de moeilijkheden waarmee het te worstelen heeft om die te overwinnen. Daarom bestaat onze heiligmaking niet in hetgeen wij tot stand kunnen brengen, maar in geestelijke verlangens, in hongeren, dorsten, en treuren, in vernedering des harten, armoede van geest, onderworpenheid en zachtmoedigheid, in hartelijke hoogachting van Jezus en in afhankelijkheid van Hem alleen, voor alles wat wij nodig hebben. Van deze dingen kan men zeggen dat zij groot zijn, maar degenen die daar het meest van mogen hebben, zijn zich er ook het meest van bewust, dat zij in en van zichzelf niets zijn, niets hebben, niets kunnen en dagelijks reden hebben zich te verfoeien en berouw te hebben in stof en as.

Ons uitzicht op de dood is niet altijd gelijk, maar naar de mate waarin het de Heilige Geest behaagt ons Zijn gevoelige invloed mee te delen. Wij mogen misschien ’s morgens het ogenblik van sterven met blijdschap en verlangen tegemoet zien en voordat het avond is, geneigd zijn van de gedachte terug te schrikken. Maar hoewel onze gestalten en gevoelens wisselen, de inhoud van het geloof in die zaak is hetzelfde. De Heere bewaart ster- vensgenade gewoonlijk voor de ure van het sterven. Toen Israël door de Jordaan moest trekken, was de ark in de rivier. Hoewel de achterhoede van de menigte hem niet kon zien, aanschouwden zij toch allen de ark, toen zij geleidelijk verder kwamen en de oever van de rivier naderden; zij gingen allen veilig naar de overzijde.

Aangezien u het leven niet moe bent, hoop ik toch, als het de Heere behaagt, dat Hij u, ter wille van uw vrienden en degenen die u liefhebt, nog wat onder ons wil laten blijven. Maar als de tijd komt die Hij heeft bepaald om u af te lossen, dan twijfel ik niet of Hij zal uw vrees geheel overwinnen, uw vijanden tot zwijgen brengen en u een ruime, zegevierende ingang in Zijn Koninkrijk bereiden. U hebt de dood in ’t geheel niet te vrezen, want Jezus heeft hem door Zijn sterven van zijn prikkel ontwapend. Hij heeft een geur verspreid over het graf en de poorten der heerlijkheid geopend voor Zijn gelovig volk. Satan zal, voorzover dat hem toegelaten wordt, een aanval doen op onze vrede, maar hij is een overwonnen vijand: onze Heere houdt hem aan de ketting en stelt hem paal en perk, zodat hij die niet kan overschrijden kan. Hij voorziet ons ook van de gehele wapenrusting Gods en heeft beloofd ons hoofd Zelf te bedekken ten dage van de strijd, zodat wij met eer door iedere worsteling heenkomen en Hij maakt dat wij uiteindelijk overwinnaar zullen zijn. Indien u oordeelt, dat mijn korte en onverwachte ontmoeting met de Heer C— mij mag doen verlangen, dat hij weet dat ik zijn hoedanigheden hoog acht, zijn persoon bemin, en mij verblijd in hetgeen de Heere aan en door hem heeft gedaan, en nog doet, heb dan de goedheid, hem zulks te melden. Doch ik laat dit ten enenmale aan u over. Wij bieden gezamenlijk u onze toegenegen hoogachting.
Ik ben, enz.
28 October, 1777