Brieven aan de eerwaarde heer R: Vierde brief

Jon Newton Brieven

DEAR FRIEND!

De heer T. heeft ons donderdagavond een bezoek gebracht en vanaf dat uur zijn mijn gedachten overdag zelden van u en de uwen af geweest. Weinig mensen zijn beter in staat met u mee te voelen dan uzelf en uw gezin. Misschien stelt geen levend wezen méér belang in hetgeen uw vrouw overkomt dan ik. Ik kon het daarom bij deze gelegenheid niet nalaten te schrijven en ik zal blij zijn als de Heere mij zou helpen een gepast woord neer te schrijven en dat vergezeld doet gaan van een zegen voor u, als u het leest.

Ik ben blij dat ik zekerheid heb (en ik verwachtte ook niet anders) dat uw vrouw zich gelukkig geborgen weet in de hand des Hee- ren en onder de hoede van de goede Herder en Zaligmaker, aan Wie zij zich dikwijls heeft mogen toevertrouwen. Ik ben ook blij dat zij ervaart dat Hij getrouw is aan Zijn belofte, door haar kracht te geven in haar ziel naar haar omstandigheden en dat Hij haar in staat stelt zich gerust aan Zijn heilige, wijze en genadige wil te onderwerpen. Het is mijn bede dat Hij u eveneens moge versterken. Dat Hij Zijn algenoegzaamheid zo helder en krachtig aan uw hart moge openbaren, zodat u niet bevreesd behoeft te zijn voor wat er ook gebeurt, maar blijmoedig op Hem mag vertrouwen dat Hij alles voor u moge zijn in elke omstandigheid en verandering, waarvoor Zijn belofte u grond geeft om te verwachten.

Ik hoop van harte dat dit slechts een korte tijd van benauwdheid zal zijn, die bedoeld is om uw geloof en lijdzaamheid te oefenen en om u te goeder ure een klaar bewijs te geven van Zijn macht en goedheid op de verhoring van het gebed. Hij brengt ons soms in zulke omstandigheden waarin de hulp van schepselen geheel vruchteloos is, opdat wij daarna ons duidelijker bewust zullen zijn van Zijn tussenkomst. Dan leren wij proefondervindelijk de ijdelheid van alle dingen hier beneden en worden wij ingeleid in een meer dadelijke, absolute afhankelijkheid van Hem. Het is nodig dat deze lessen ons telkens worden ingeprent. Hoe dikwijls toont Hij, als Hij Zijn doel bereikt heeft, en nadat Hij ons smart heeft aangedaan. Zijn groot erbarmen en redt Hij ons uit onze vrees, door een uitgestrekte arm en door zulk een tijdige en ongedachte hulp, die ons dringt om uit te roepen: “Wat een werk Gods is dat en Wie is een God gelijk Hij!”

Dat hoop ik dat de uitkomst zal zijn van uw tegenwoordige beproeving en dat Hij, Die haar aan u gegeven heeft, haar aan u zal wedergeven. Ik zie dat u nu in de oven bent, maar de Heere zit erbij om het zilver te louteren, om het vuur te matigen en om het proces zo te besturen dat u niets dan droesem zult kwijtraken en dat u er als gelouterd goud uit tevoorschijn zult komen, om Zijn Naam daarvoor te prijzen. Zulke kennelijke moeilijkheden, hoe groot ze ook zijn mogen, zijn niets voor Hem. Hij spreekt en het is er. Bij de Heere zijn uitkomsten tegen de dood. Zou Zijn wil anders zijn en zou Hij uw geliefde wederhelft eerder dan u tot de staat van heerlijkheid roepen, dan weet ik dat Hij ook in staat is u te ondersteunen. Wat Hij doet, hoe pijnlijk het ook is voor het vlees, moet immers wel goed zijn, omdat Hij het doet! Aangezien Hij ons gekocht heeft met Zijn bloed en onze ziel van de hel heeft verlost, heeft Hij alle recht met ons en de onzen te doen wat hem behaagt. En dit weten wij zeker, dat Hij ons slechts zoveel oplegt als Hij uit genade voor ons op Zich genomen heeft. Hij kan alles wat wij geleden, en alles wat wij verloren hebben weer goedmaken door Zijn aangezicht over ons te doen lichten; binnen enkele jaren zal Hij alles weer goedmaken. Degenen die Hem liefhebben, en die door Hem geliefd worden, zullen, hoewel zij evenals anderen moeten lijden, niet als die anderen weeklagen, want de Heere is hier met hen en Hij zal hen spoedig tot Zich nemen. Daar zullen alle tranen van hun ogen afgewist worden.

Misschien weet ik, als iemand die dit niet werkelijk meegemaakt heeft, evengoed hoe ik de pijn van zo’n scheiding moet inschatten. Menig keer is de lust van mijn ogen dicht bij de dood geweest, menig keer ben ik in mijn hart terneergeslagen geweest. Wat ik van zulke tijden heb geleerd, is dat ik reden heb om te hopen dat als het Hem behaagd had datgene waarvoor ik vreesde over mij te doen komen. Zijn eeuwige armen onder mij zouden zijn geweest om mij ervoor te bewaren dat ik onder die slag zou bezwijken. Als predikanten worden wij geroepen de bedrukte kinderen des Heeren te troosten en hun te vertellen dat de wetenschap dat Hij hen liefheeft een hartelijke ondersteuning is om de ziel in de scherpste beproevingen in leven te houden. Wij moeten niet verwonderd zijn dat Hij ons soms in wegen leidt, waarin Hij ons toont dat wij niet te doen hebben met gevoelloze waarheden, maar dat wij zelf die vaste vertroosting vinden in het Evangelie dat wij anderen aanbevelen, om het daarvan te verwachten. U bent nu in zo’n gelegenheid om de Heere de eer te geven. Ik bid u dat Hij u in staat stelt deze gelegenheid goed te gebruiken en dat allen die u omringen mogen zien dat Hij met u is en dat Zijn goede Woord de steun en het anker van uw ziel is. Dan ben ik er zeker van dat Hij u, als dit alles voor u ten beste keert, de wens van uw hart zal geven. U zult dan samen leven om Hem te loven.
Ik ben, enz.
27 September 1777