Brieven aan mevrouw M.B: Negende brief

Jon Newton Brieven

DEAR MISS!

Ons laatste bezoek aan X. was voor mezelf heel aangenaam. Als er iets besproken werd wat voor u van nut was, weten wij Wie wij daarvoor de dank moeten brengen, want wij kunnen niets aan elkaar meedelen en ook niets nemen, dan voor zover het Hem behaagt ons daartoe in staat te stellen. Eén reden waarom Hij ons daarin dikwijls teleurstelt, is dat wij zullen leren op Hem alleen te betrouwen. Wij zijn, zoals u zelf opmerkt, zo geneigd te veel op gevoelige vertroostingen te rusten, en toch zijn die zo begeerlijk. Alleen wat betreft de mate daarvan, en de tijden wanneer, is het goed aan Zijn wil onderworpen te zijn; er dankbaar voor te zijn als wij ze hebben en er nederig op te wachten als wij ze niet hebben. Zij zijn echter niet de eigenlijke grond van onze hoop. Een goede hoop ontstaat uit een besef van ons gemis en een overtuiging van Zijn macht en genade, waardoor het hart werkzaam gemaakt wordt om, op grond van Zijn belofte, met vrijmoedigheid ons vertrouwen tot zaligheid op Hem te stellen.

In zekere zin staan wij Hem door ons ongeduld en ongeloof in de weg, maar, eigenlijk gezegd, zal men Hem, als Hij werkelijk het goede werk begint en ons een begeerte geeft, die met niets anders bevredigd wil worden dan met Hemzelf, niet kunnen verhinderen om het voort te zetten, want Hij heeft gezegd: “Ik zal werken en niemand zal het keren”. O, als het toch van mijzelf had afgehangen, en van mijn wijsheid en trouw, dan zou ik Hem tegengehouden hebben om Zijn doel te bereiken en mijzelf allang verwoest hebben. Hoe dikwijls heb ik de Heilige Geest bedroefd en tegengestaan! Hierdoor heb ik echter meer van Zijn geduld en tederheid geleerd dan ik op een andere wijze had kunnen leren. Hij weet wat maaksel wij zijn en wat voor vruchten onze boze natuur, aangestoken door de listen van de satan, voortbrengt. Hij slaat ons gade, van het begin tot het einde.

Duizend kwaden komen in ons hart op, duizend ondeugden in ons gedrag, die als zij daarin tevoorschijn komen ons onbekend zijn en misschien waren wij soms geneigd te denken dat wij tot zulke dingen niet in staat waren. Maar niet één van die is onbekend voor Hem, voor Wie verleden, heden en toekomst dezelfde zijn. Dat Hij die al vooruit wist, is voor Hem geen verhindering geweest ons door Zijn genade te roepen. Hoewel Hij wist dat wij onrein waren en ons zouden doen kennen als ondankbaren en ontrouwen, wilde Hij toch door ons gevonden worden. Hij wilde aan de deur van ons hart kloppen en Zichzelf toegang verschaffen. Ook zal dat alles geen verhindering zijn om Zijn genadig voornemen te volvoeren. Het is aan ons, om voor Hem verootmoedigd te zijn en stil te hopen en te wachten op Zijn heil, in het gebruik van de ingestelde middelen. De kracht, de vrucht en de zegen komen geheel en al van Hem. Om ons daarvan meer bewust te doen zijn, trekt Hij Zich dikwijls terug voor onze gewaarwording. En zoals na zonsondergang de wilde dieren van het woud rondzwerven, zo worden wij, als Jezus Zich verbergt, gewaar wat er in ons hart huist en hoe slecht wij ons kunnen behelpen zonder Hem. Als Hij weer verschijnt, verjaagt Zijn licht de boosheden en voelen wij ons weer goed; hoewel zij niet dood zijn, en al worden zij geheel in toom gehouden door Zijn aanwezigheid.

Het is uw groot en bijzonder voorrecht, geliefde mevrouw, dat Hij u geleerd heeft Hem vroeg te zoeken. U bent wel op de weg der zaligheid gebracht, maar u moet niet alles ineens verwachten. Het werk der genade wordt vergeleken met koren en met een gebouw: de groei van het eerste en de vordering van het tweede gaan geleidelijk. Wat een gebouw betreft, moet er bijvoorbeeld, vooral als het groot is, veel ter voorbereiding worden gedaan; ook voor het leggen van het fundament, voordat de muren boven de grond te zien zijn. Veel moet er vanbinnen gebeuren, waardoor het aan de buitenkant misschien lijkt dat het werk niet vordert. Als het al een heel eind gevorderd is, ziet een omstander- als het nog omgeven is door steigers en er nog veel rommel bij ligt- dat als vertraging en kan hij zich er slechts een onvolledig oordeel over vormen. Maar al die tijd, vanaf het leggen van de eerste steen, vormt de architect zelf er zich een beeld van, dat overeenkomt met het ontwerp dat hij gemaakt heeft. Hij laat de materialen klaarmaken en aanvoeren en laat ze op de juiste tijd op de juiste plaats zetten; hij beziet alles vanuit het idee dat het al klaar is.

Te zijner tijd is het klaar, maar niet in één dag. De sluitsteen wordt aangebracht en als dan de steigers en de rommel verwijderd worden, ziet het er voor anderen uit zoals hij het zich had voorgenomen. De mens maakt dikwijls een plan, dat bij gebrek aan deskundigheid of bekwaamheid, of door onvoorziene tegenslagen niet uitgevoerd kan worden. Maar voor de hemelse Bouwheer kan er niets tegenvallen. Men kan Hem ook nooit verwijten dat Hij het werk van Zijn handen laat varen, of dat Hij het begonnen heeft en het niet kan of wil afmaken (Fil. 1:6). Laten wij Hem dus danken voor iets wat Hij begon en geduldig de afloop ervan afwachten. Zijn vijanden trachten het werk te vertragen, zoals zij deden toen de Joden op Zijn bevel begonnen de tempel te herbouwen. Toch werd hij voltooid, ondanks al die vijanden.
Ik ben, enz.
11 November 1775