Brieven aan de eerwaarde heer P: Derde brief

Jon Newton Brieven

DEAR SIR!

U zegt dat uw ondervinding met de mijne overeenkomt. Dat moet wel, omdat ons hart hetzelfde is. Het hart is arglistig en bovenmate boos, ontdaan van alle goed en geneigd tot het kwade. Dat is de natuur van het mensdom in zijn geheel en degenen die deelgenoot gemaakt zijn van de genade zijn slechts ten dele vernieuwd. De boze natuur kleeft hen nog steeds aan en de wortel van de zonde, hoewel men daaraan sterft, is bij lange na nog niet dood. Zolang de oorzaak blijft, zullen er gevolgen zijn; zolang wij de last gevoelen van dit lichaam der zonde, moeten wij daar onder zuchten. Wij behoeven echter niet verslonden te worden door overmatige droefheid, aangezien wij in Jezus een Zaligmaker, een Rechtvaardige, een Voorspraak, een Herder hebben. “Hij weet wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde dat wij stof zijn”. Als in ons de zonde vermenigvuldigt, is de genade in Hem nog overvloediger. Ook zou Hij niet toelaten dat de zonde in Zijn volk blijft, als Hij die niet wist te overwinnen en een aanleiding deed zijn, dat zij Zijn liefde en genade des te meer in hun ziel beminnen.

De Heere verhoede dat wij Zijn goedheid als een voorwendsel zouden gebruiken om ons aan te moedigen tot traagheid en onverschilligheid. Verootmoediging, droefheid naar God en zelf- verfoeiing betamen ons, maar tegelijkertijd mogen wij ons in de Heere verblijden! Hoewel de zonde in ons blijft, zal zij niet over ons heersen; al voert ze strijd in ons, ze zal niet de overhand over ons verkrijgen. Wij hebben een verzoendeksel dat met bloed besprengd is. Wij hebben een Voorspraak bij de Vader. Wij worden tot deze strijd geroepen en wij strijden onder toezicht van de Overste onzer zaligheid. Die altijd nabij is om onze krachten te vernieuwen, onze wonden te genezen en ons hoofd te dekken in de hittte van de strijd.

Als predikanten prediken wij tot hen die gelijke hartstochten en gebreken hebben als wij zelf en vanuit onze eigen gevoelens, vrees en wisselende gestalten leren wij om “met de moede een woord ter rechter tijd te spreken”, om degenen die menen te staan te waarschuwen en een medelijdende hand uit te steken naar hen die gevallen zijn; om dit uit onze eigen ervaring anderen aan te bevelen als een getrouw woord. Bovendien, als de Heere ons wat vrijmoedigheid, overname en vrucht op de prediking van het Evangelie wil geven, zouden wij groot gevaar lopen waanzinnig van geestelijke hoogmoed te worden, indien de Heere ons niet de verdorvenheid en onreinheid van ons hart liet gevoelen en daardoor ons ervoor bewaart dat wij vergeten wie wij in onszelf zijn. Wat onze jonge mensen betreft, moet u verwachten dat u wel wat teleurstellingen zult opdoen. Waarschijnlijk zal niet iedereen van wie u zich een goede hoop had gevormd, staande blijven en sommigen, die echt de Heere toebehoren, worden voor hun toekomstige vernedering wel eens overgegeven om droeve misstappen te doen. Het is onze taak te waken, te waarschuwen en te vermanen.

Eveneens behoren wij met bewogenheid vervuld te zijn over die misstappen en feilen die wij niet kunnen voorkomen. Als een predikant trouw en van een oprechte geest is, kan hij geen groter blijdschap hebben dan te zien dat zijn volk eerlijk en standvastig wandelt in de waarheid. Er is nauwelijks iets wat hem gevoeliger smart doet dan te zien dat sommigen gevangen worden in de strikken van de satan. Toch vinden wij hier ook steun in het Evangelie. God is wijzer dan wij en Hij weet deze dingen, waartegen wij moeten waken als onheilen en hindernissen, dienstbaar te maken om Zijn werk te doen voortgaan. Wij moeten de middelen gebruiken; Hij bestuurt het geheel. Als de struikelingen van sommigen tot waarschuwingen voor anderen worden en uiteindelijk bewijzen gelegenheden te zijn om de rijkdom van de goddelijke genade uit te stallen, moet dit voor ons een genoegdoening zijn voor hetgeen wij niet kunnen verhelpen. Al moeten zulke overwegingen onze ijver niet vertragen alarm te blazen en onze hoorders eraan te herinneren dat zij voortdurend in gevaar zijn.
Ik ben enz.
13 Januari 1772