Brieven aan een edelman: Eerste brief

Jon Newton Brieven

MY LORD!

Ik herinner mij, toen ik eens het genoegen had mijn opwachting bij u te maken, dat u zo vrij was een interessant gesprek te beginnen, dat wat mij betreft te spoedig weer afgebroken werd. Het onderwerp ging over de oorzaken, de natuur en de kenmerken van verachtering in de genade. Wij spraken erover hoe het komt dat wij die warme genegenheden voor Goddelijke zaken weer kwijtraken, waarvan wij in aangename ogenblikken denken dat het haast onmogelijk is die te vergeten.

En verder:

  1. In hoever deze verandering van gestalte kan bestaan met geestelijke groei in andere opzichten.
  2. Hoe wij ons een vergelijkend oordeel moeten vormen over de wijze waarop wij daar over het algemeen mee moeten omgaan.
  3. Hoe wij langzamerhand hetgeen wij kwijtgeraakt zijn, doordat wij nu eenmaal in verbinding staan met een zondige natuur en een zondige wereld, weer kunnen terugkrijgen.

Edelachtbare heer, ik vraag u toestemming deze brief te schrijven met betrekking tot deze vragen. Ik heb niet de bedoeling om er een uitgewerkt opstel over te schrijven, maar alleen die gedachten te verwoorden die mij voor de geest komen terwijl ik de pen ter hand neem. Een ontwaakte ziel (vooral als die na een periode van angst en nood begint te proeven dat de Heere genadig is) bevindt zich als in een nieuwe wereld. Geen enkele verandering in het uitwendige leven kan zo gevoelig en aandoénlijk zijn. Daarom is het geen wonder dat men in zo’n tijd over bijna niets anders kan denken. De overgang van duisternis naar licht, van een gevoel van toorn naar de hoop der heerlijkheid, is het grootste dat men zich kan indenken. Het komt soms even plotseling als wonderlijk. Vandaar dat men pasbekeerden over het algemeen kan kennen aan ijver en liefde.

Evenals Israël aan de Rode Zee hebben zij zojuist de wonderlijke werken des Heeren gezien en zij moéten Zijn lof wel zingen. Het gevaar dat zij pas ontkomen zijn, heeft hen diep getroffen, ook omdat velen om hen heen zo gerust en zorgeloos zijn, terwijl zij in dezelfde angstwekkende omstandigheid verkeren. Een besef van eigen weldaden en medelijden met de zielen van anderen brengt hen zo in vervoering, dat zij het nauwelijks kunnen nalaten tegen ieder die zij ontmoeten te preken. Deze gevoelens zijn zeer reëel en begrijpelijk, als we letten op de oorzaken waaruit zij ontstaan. Het is ongetwijfeld niet alleen een bewijs van de onvolmaaktheid, maar van de verdorvenheid van onze natuur, dat wij niet altijd zo aangedaan zijn. Toch is het niet helemaal echt. Als wij deze gestalte nauwkeurig nagaan, die op het eerste gezicht een voorbeeld voor en een verwijt aan christenen is die al langer op de weg zijn, zullen wij ontdekken dat aan die gestalte grotendeels aanzienlijke gebreken kleven.

le. Zulke personen zijn heel zwak in het geloof. Hun geloof ontstaat eerder uit levendige indrukken van innerlijke blijdschap dan uit een duidelijk en helder besef van het werk Gods in Christus. De vertroostingen die bedoeld zijn als hartsterkingen, om hen tegen de tegenstand van de ongelovige wereld te bemoedigen, vatten zij op als eigenlijke kenmerken van hun hoop en ze rusten daarop. Vandaar komt het dat zij, als de Heere Zijn leidingen verandert en Zijn aangezicht verbergt, spoedig verontrust en ten einde raad zijn.

2e. Degenen die in deze toestand van hun eerste liefde zijn, zijn zelden vrij van een enigszins kritische geest. Zij hebben nog niet de algehele bedrieglijkheid van hun eigen hart gevoeld. Zij zijn nog niet goed bekend met de listen en verzoekingen van de satan en daarom kunnen zij niet met iemand meevoelen of iets door de vingers zien, waar dat nodig en gepast is. Zij kunnen nauwelijks diegenen uitstaan, die niet dezelfde ernst als zij aan de dag leggen.

3e. Zij staan eveneens min of meer onder invloed van eigengerechtigheid en eigenzinnigheid. Zij bedoelen het wel goed, maar aangezien zij nog geen grondige kennis hebben van de geestelijke betekenis en de eigenlijke functie van de wet en ook nog geen vastigheid in het leven hebben, wordt een deel (en dikwijls een zeer aanzienlijk deel) van hun ijver besteed aan uitwendige zaken die niet het wezen betreffen. Dat dringt hen om dingen te doen die niet geboden zijn, om zich te onthouden van hetgeen geoorloofd is en om er verschillende strenge en zonderlinge dingen op na te houden, die niet nodig zijn. Dit alles afhankelijk van hun karakter en omstandigheden.

Ik geloof echter dat er, met al de fouten, iets heel moois en innemends is in de oprechte vurigheid van een pas bekeerde. Sommige koude, strenge beoordelaars staan klaar om deze veelbelovende kenmerken op grond van bijkomstige onvolkomenheden te verwerpen. Maar zou een tuinder een mooie nectarine weggooien, omdat die groen is en nog niet alle schoonheid en geur verkregen heeft, die nog wat regen en zonneschijn daaraan zullen geven? Misschien geldt voor het grootste deel in de genade wel hetzelfde als in de natuur (enige uitzonderingen daargelaten), namelijk, dat wij, als er niet wat vuur is in de jeugd, in de ouderdom nauwelijks echte warmte kunnen verwachten.

De grote en goede Landman waakt echter over hetgeen Zijn eigen hand geplant heeft. Hij zet Zijn werk voort door middel van een afwisseling van verschillende, zelfs tegenstrijdige, handelingen. Zolang hun berg zo vast staat, denken ze dat zij nooit bewogen zullen worden, maar uiteindelijk ervaren zij toch een verandering. Soms komt die geleidelijk en zonder dat zij het merken. Het deel van hun gevoel dat louter natuurlijk was, zal vanzelfsprekend afnemen als de invloed van het nieuwe eraf is. Zij beginnen in sommige gevallen hun eigen onbezonnenheid op te merken en een poging om de buitensporigheden van hun onvoorzichtige ijver te verbeteren, voert hen dikwijls tot het andere uiterste van nalatigheid.

De boosheden van hun hart die er wel onder lagen maar niet uitgeroeid waren, herleven weer. De vijand wacht zijn gelegenheden af om tot hen te komen met geschikte verzoekingen en daar het de bedoeling van de Heere is dat zij bevindelijk hun eigen zwakheid zullen voelen en leren kennen, zal Hij de vijand in sommige gevallen toestaan om succes te hebben. Als er zodoende schuld op het geweten komt te liggen, als het hart hard begint te worden, de handen traag en de knieën slap, gaat het geloof wankelen. De Geest des gebeds trekt Zich terug en de wapenrusting is er niet meer. Dus gaat het steeds slechter, tenzij het de Heere behaagt tussenbeide te komen: want hoewel wij van onszelf kunnen vallen, kunnen wij zonder Zijn hulp niet opstaan.

Weliswaar heeft iedere zonde krachtens haar eigen aard de neiging in zich tot algehele afval. Maar het verbond der genade bevat een middel tot herstel en de Heere komt op Zijn tijd weer terug om de ziel te overtuigen, te verootmoedigen, te vergeven, te troosten en te vernieuwen. Hij slaat de rots en de wateren vloeien. Door herhaalde ondervindingen en oefeningen van dergelijke aard (want deze wijsheid verkrijgt men zelden door enkele lessen), beginnen wij tenslotte te leren dat wij niets zijn, niets hebben en niets anders kunnen dan zondigen. Zo wordt er langzamerhand plaats voor gemaakt dat wij het leven meer buiten onszelf zoeken en al onze bekwaamheid, van allerlei aard, moeten ontvangen van Jezus, de Fontein van genade. Dan leren wij voorzichtiger te wandelen, minder op onze eigen kracht te vertrouwen, lager gedachten van onszelf te hebben en hoger gedachten van Hem. Uit deze laatste twee bijzonderheden bestaat, naar ik begrijp, wat de Schrift bedoelt met groei in de genade. Beide nemen toe in een levendige christen: elke dag laat hem meer zien van zijn eigen hart en meer van de kracht, de bekwaamheid, het medelijden en de genade van zijn aanbiddelijke Verlosser. Maar beide zullen pas volmaakt zijn als wij in de hemel zijn gekomen. Hoewel wij ervaren dat de gevoelige warmte van de genegenheden, die wij gevoeld hebben bij het eerste begin afgenomen is, begrijp ik, als onze inzichten daarentegen meer evangelisch zijn en ons oordeel meer gerijpt is, als ons hart doorgaans meer verootmoedigd is onder een gevoel van onze inwendige verdorvenheid, als onze aard zachter geworden is, zodat er medegevoel en teerheid ingekomen is, als de geestelijke begeerten bij ons de overhand hebben en wij in onze praktijk de geboden en rechten en ook het volk van God hoogachten, dat wij dan op goede gronden mogen concluderen dat Gods goede genadewerk dat in ons is, over het geheel genomen, aan het toenemen is.

Toch is het te betreuren dat een toename van kennis en bevinding over het algemeen zozeer gepaard gaat met een afname van vurigheid. Als het in mijn eigen hart ook zo niet toegegaan was, zou ik geneigd zijn te denken dat het onmogelijk is. Juist deze omstandigheid verschaft mij echter nog nadrukkelijker de overtuiging van mijn eigen vuilheid en verdorvenheid. Het gebrek aan verootmoediging vernedert mij en mijn ongeïnteresseerdheid wekt juist mijn ernst op. Er zijn echter ook tijden van opleving, van onverklaarbare opflikkeringen van licht en kracht in de ziel. Als zij afkomstig zijn van duidelijker blijken van de genade Gods, al zijn zij niet zo heftig als de eerste blijdschap, dringen ze toch meer door en werken vernieuwend en verlevendigend. Een kort gezicht van deze zaken, vergeleken met onze traagheid en loomheid als dit gezicht ons onthouden wordt, speent ons hart aan deze ellendige staat van zonde en verzoeking en maakt de gedachte aan dood en eeuwigheid begeerlijk. Dan zal deze strijd ophouden; dan zal ik niet meer zondigen en afdwalen; dan zal ik Hem zien zoals Hij is en Hem voor eeuwig gelijkvormig zijn.

Als de vraag gesteld wordt hoe die momenten van levendigheid verlengd, vernieuwd of herkregen kunnen worden, worden wij verwezen naar geloof en naarstigheid. Een zorgvuldig gebruik van de ingestelde genademiddelen, een waakzame werkzaamheid om de gelegenheden en de schijn van het kwaad te vermijden en vooral het volharden in het eenzame gebed brengt hiervan zoveel met zich mee als de Heere goed voor ons acht. Hij weet het beste waarom deze dingen ons niet voortdurend kunnen worden toevertrouwd. Hier moeten wij wandelen door geloof, om geoefend en beproefd te worden. Weldra zullen wij gekroond worden en dan zullen de begeerten die Hij ons geschonken heeft overvloedig vervuld worden.
Ik ben, enz.
Maart, 1765.