Brieven aan de eerw. heer S: Vijfde brief

Jon Newton Brieven

WAARDE VRIEND!

De vele bezigheden en beletsels die mijn tijd innamen of mij ervan beroofden, toen ik de laatste keer aan u schreef, hebben tot nu toe zonder tussenpozen voortgeduurd; en ik loop veel achter in mijn werk. Ik wil graag aannemen dat het met u hetzelfde is gesteld, en dat gebrek aan nodige tijd de enige oorzaak was, dat ik sinds mijn terugkomst uit Londen, het geluk niet gehad heb één enkele brief van u te ontvangen. Ik zou uw stilzwijgen niet graag toeschrijven aan ongezondheid tot het voortzetten van een briefwisseling, welke ik mijn kant gewenst had, en nog steeds wens. Want hoewel wij niet overeenstemmen in onze begrippen; zolang echter onze onderlinge afspraak, die wij in het begin gemaakt hebben, standhoudt, namelijk, dat de een de ander toe zou staan zijn gedachten vrijmoedig te uiten, en van beide kanten in het voorstellen van onze gevoelens de bescheidenheid in acht te nemen, kunnen wij, en zullen wij ook, naar ik hoop, met blijdschap brieven van elkaar ontvangen.

Het zou kunnen lijken, alsof ik betere gedachten van mijzelf had dan van u, omdat ik, erop vertrouwende dat uw openhartigheid mij geen ongenoegen geven zal, nu en dan enige vrees betoon, dat de mijne u niet zal bevallen. Maar de vriendschap is min of meer achterdochtig wanneer men van haar vergt zich met een langdurig stilzwijgen tevreden te stellen; en een onbewimpelde uitdrukking van mijn gevoelens, heeft meer dan eens het geduld van beminnelijke en achtenswaardige mensen op de uiterste proef gesteld. Hierbij stuur ik u uw preken terug. Ik dank u dat ik ze mocht lezen. Ik vind er veel in dat ik goedkeur, en niets, dan hetgeen ik te voren insgelijks geloofde. Maar sinds enige jaren is er een aanmerkelijke verandering in mijn denkbeelden en ondervinding gekomen. Ik hoop, ja ik durf vrijmoedig te zeggen, dat ik niet ten kwade ben verzekerd.

Toen zocht ik, en thans heb ik, door genade, gevonden, de Parel van grote waarde. Het is het gebed en de hoop van mijn hart, dat de dag zal komen dat u hetzelfde zult kunnen zeggen. Door uw brieven en preken vind ik mij aangemoedigd om tot u te zeggen, met de taal van onze Heere: Gij zijt niet verre van het Koninkrijk Gods. Ik houd mij verzekerd, dat het inzien hetwelk u ontvangen hebt, u niet zal toelaten te blijven staan waar u nu bent. Maar de goede trouw verplicht mij er bij te voegen: Nog één ding ontbreekt u; hetwelk de Heere, naar ik vertrouw, u zal doen zien, en u zal schenken op Zijn bekwamen tijd. U spreekt ergens, van te boeten voor de ongehoorzaamheid, door berouw. Ach! Mijn waarde vriend! Wanneer het ons gegeven wordt, onze ongehoorzaamheid te schatten, door haar te vergelijken met zulk een gevoel van de Majesteit, Heiligheid, en het Oppergezag van God, en van de geestelijkheid, uitgebreidheid en gestrengheid van Zijn heilige wet, als Hij, en Hij alléén op het gemoed van een zondaar drukken kan, dan zullen we overtuigd zijn, dat niets dan het bloed van Gods Zoon, voor de alle geringste ongehoorzaamheid kan boeten. 

In mijn brief uit Londen geschreven, maakte ik een opmerking van één gebrek in uw leerwijze, iets wat waarschijnlijk het eerste zal zijn dat uw opmerking verdient. Ik stel vast, dat u een begeerte hebt om nuttig te zijn voor de zielen van mensen; om een werktuig te zijn hen van die weg van openbare goddeloosheid, of levenloze vormen-dienst, waaraan u hen verslaafd ziet, terug te brengen; en, met één woord, hen te bewegen, om matig, rechtvaardig, en Godzalig te leven, volgens de juiste en uitgestrekte zin, die u in uw preek over Titus 2:11, 12, daarvan opgegeven hebt.

Maar de inwendige ondervinding, en een tamelijk uitgebreide waarneming van hetgeen buiten mij omgaat, hebben mij zo volkomen overtuigd dat er maar één manier van prediken is, van welke de Heilige Geest tot het voortbrengen van die uitwerkselen Zich bedient, dat ik het niet moeilijk vind u stellig te verzekeren, dat u, als u uw tegenwoordig plan volgt, de begeerte van uw hart niet zult verkrijgen. Het volk zal u horen prediken en steeds blijven zoals het is; zolang, totdat de Heere u geeft hen aan te spreken als reeds veroordeelde misdadigers, en dat dezulken, een eerste en wezenlijke stap moeten doen door vergeving te zoeken in het bloed van Jezus, en moeten trachten naar verandering van hart en staat door Zijn genade, eer zij een vrucht kunnen voortbrengen dat aangenaam is voor God.

Omdat ik weinig tijd heb om te schrijven, en hoop om door middel van bewijsredenen veel bij u te vorderen, zend ik u, in plaats van een lange brief, de hoofdzaken van enkele preken, die ik voor negen of tien jaren gehouden heb over het gesprek van onze Heere Jezus met Nikodemus. Echter, wanneer ik van u vernomen zal hebben dat u gezond bent, en genegen blijft om de briefwisseling met mij aan te houden, dan zal ik u graag een meer opzettelijk antwoord doen toekomen aangaande de stukken die u in de brief waarmee u mij daags vóór mijn vertrek van Londen vereerde. Ik bid God, dat Hij u zegent op al uw wegen, en ik verzoek u te geloven dat ik  in alle oprechtheid ben, enz.
21 October 1775.