Brieven aan de eerw. heer S: Vierde brief

Jon Newton Brieven

WAARDE VRIEND!

Ik ben bang dat u mij van onbeleefdheid en vergeetachtigheid tegenover u zult beginnen te verdenken, en daarom schrijf ik u voorlopig enkele regels om mij van die verdenking te zuiveren, hoewel ik geen tijd heb om over te gaan tot de beantwoording van de brief die u mij op de avond voor mijn vertrek aan O. meegaf. Ik moet mij derhalve vergenoegen om u een bewijs van mijn genegenheid en achting aan te bieden en naar uw welstand te vernemen. Uw brief zal mij gelegenheid verschaffen om iets meer te zeggen zodra de tijd het zal toelaten. Maar een poging om al de tegenbedenkingen, die tussen u en mij kunnen opgeworpen worden, door redeneren te beantwoorden, zou een heel boekdeel vereisen, en zou ook strijden tegen de voornaamste grondslag, waarop mijn hoop om u te bekwamer tijd voldoening te geven, gebouwd is. U lijkt te verwachten, dat ik uw moeilijkheden zal oplossen. Maar het is alleen mijn bedoeling een eenvoudigheid woord te schrijven, als een getuigenis van hetgeen de Heere behaagd heeft mij uit de Schrift te leren; en voor het overige te wachten, totdat het Hem, Die alléén daartoe machtig is, zal goeddunken, u hetzelfde inzicht te schenken als mij. Want zolang wij niet door hetzelfde medium zien en oordelen, en niet overeenstemmen in het voorname hoofdpunt, namelijk, dat het geloof geen uitwerksel van redenering, maar een bijzondere gave van God is, dat Hij schenkt wanneer en aan wie Hij wil, zal het mij niet mogelijk zijn om u door kracht van bewijsstukken te overtuigen.

Ik geloof, zoals ik eerder opmerkte, dat God u reeds een begeerte geschonken heeft, om Zijn wil te kennen; en daarom vertrouw ik er op, dat Hij uw onderzoek niet tevergeefs zal laten. Voor het tegenwoordige meen ik dat u één ding ontbreekt, het is iets dat niet in mijn vermogen ligt om aan u te geven. Ik meen, zulk een gevoel van het bederf der menselijke natuur, en van de toestand van alle mensen als zondaars aangemerkt, zodat u de volstrekte onmogelijkheid zal begrijpen, van langs een andere weg tot de vrede en de hoop van het Evangelie te geraken, dan door af te zien van alle hoop om door eigen pogingen iets uit te werken, en door slechts ootmoedig uzelf te wenden tot de troon der genade, om in staat gesteld te worden, uzelf geheel arm en ontbloot te werpen op Hem, Die machtig is om volkomen zalig te maken. Wij moeten onszelf ziek voelen voordat wij de grote Geneesmeester behoorlijk kunnen waarderen, en wij moeten het vonnis van de dood in onszelf vinden, voordat wij waarlijk en metterdaad op God, Die de doden opwekt, kunnen vertrouwen.

Ik heb uw preken op mijn reis niet meegenomen; omdat ik toch geen tijd zou hebben om ze gedurende mijn verblijf in deze woelige plaats met aandacht te lezen. Als ik weer thuisgekomen ben, hoop ik ze met aandacht te lezen en u mijn gedachten openhartig vermelden. Als ze echter opgesteld zijn volgens het plan in uw brief vervat; dan durf ik één ding reeds vooraf te zeggen, namelijk, dat ze niet beantwoorden zullen aan het door u bedoelde einde. Ik stel vast, dat het uw wens is nuttig te zijn: zondaars af te keren van hun boze wegen, liefde tot God en een oprecht verlangen om Hem te gehoorzamen in hen te verwekken. Mag ik mij niet vrijelijk op uzelf beroepen dat u weinig vrucht bemerkt? Dat degenen tot wie u predikt, hoewel zij wellicht u met genoegen horen nochtans blijven die zij zijn, onveranderd en onheilig? Dit kan niet anders. Er is slechts één soort van prediking, waar God Zijn zegen over wil geven. Namelijk… deze die leert, dat de hele wereld voor God verdoemelijk is, en de Heere Jezus afbeeldt als de koperen slang die door Mozes werd opgericht, opdat schuldige en doemwaardige zondaars door op Hem te zien en in Zijn Naam geloven, mogen genezen en zalig zullen worden. Wanneer de krachtigste vermaningen tot berouw en bekering niet worden verkondigd op een wijze die God alleen ons leren kan, dan zullen onze hoorders veelal blijven zoals wij hen vonden. Als wij elkaar ontmoeten, of als ik tijd heb van huis aan u te schrijven, dan zal ik u mijn gedachten breedvoeriger meedelen. Laat mij u intussen verzekeren van mijn oprechte achting en verlangen naar uw welzijn.
Ik ben, enz.
6 September, 1775.