Brieven aan mevrouw H: Tweede brief

Jon Newton Brieven

DEAR MADAM!

Ik geloof dat uw bevinding over het algemeen van een vreesachtige, twijfelende aard is. Voor zulke zielen heeft de Heere aan Zijn dienaren een bijzondere opdracht gegeven hen te troosten. Hij kent onze zwakheden en Hij weet wat verzoekingen betekenen; als een goede Herder heeft Hij bijzondere zorg en tederheid uitgesproken voor de zwakken in de kudde (Jes. 40:11). Maar hoe moet ik u trachten te troosten? Zeker niet door u te versterken door een fout die wij allen maar al te geneigd zijn te maken, namelijk door u erop te wijzen in uw eigen hart te kijken, om iets in uzelf te zoeken (wat u daar nooit zult vinden), waarop u uw hoop zou gronden; zij het niet helemaal, dan toch wel ten dele. Laat mij liever trachten u buiten uzelf te wijzen; laat ik u nodigen op Jezus te zien. Moeten wij licht in onze eigen ogen zoeken of in de zon? Is het zo dat de inwendige zonden u kwellen?

Dan kan ik u vertellen (hoewel u dat wel weet) dat Jezus gestorven is voor de zonden en voor zondaren. Ik kan u zeggen dat Zijn bloed en gerechtigheid van oneindige waarde zijn; dat Hij een almachtige arm heeft en dat Zijn medelijden oneindig is. Ja, u leest Zijn beloften zelf elke dag en waarom zou u twijfelen dat die niet vervuld zouden worden? Als u zegt dat u niet aan de waarheid van die beloften twijfelt, of dat zij aan velen vervuld worden, maar dat u nauwelijks kunt geloven dat zij ü toebehoren, dan zou ik u willen vragen: “Wat voor bewijs wilt u daarvoor hebben?” Een stem of een engel uit de hemel moet u niet verwachten. Overdenk toch eens of niet vele van de beloften uitdrukkelijk geadresseerd zijn aan degenen voor wie zij bestemd zijn! Als u uw naam leest in het adres op deze brief maakt u geen bezwaar die te openen. Waarom aarzelt u dan de beloften van het Evangelie te omhelzen, waarvan u kunt lezen dat zij geadresseerd zijn aan degenen die treuren; die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; die arm van geest zijn, enzovoort, en dat u daarom moet kunnen weten dat een genadig God begonnen is deze gezindheden in uw hart te werken?

Als u zegt dat u, hoewel u bij tijden treurt en hongert, bevreesd bent dat u het niet genoeg doet of niet op de rechte wijze, bedenk dan dat een dergelijke redenering verre is van de geest en de taal van het Evangelie, want zulk redeneren is gegrond op een verborgen veronderstelling dat de Heere in de vergeving der zonden iets meer in aanmerking neemt dan de verzoening en het Middelaarswerk van Jezus; namelijk: de een of andere voorafgaande goede eigenschap in het hart van een zondaar, hetgeen dan samen met het bloed van Christus de eer van de zaligheid moet krijgen. De vijand verleidt ons in deze zaak maar al te gemakkelijk, omdat de neiging tot het verbond der werken een deel is van onze natuurlijke verdorvenheid. Reken erop dat u nooit een gepast en voldoende gevoel zult hebben van het kwaad der zonde, en van uw aandeel daarin, zolang u overblijfselen van zonde in u hebt. Wij moeten op Jezus zien zoals Hij is, vóórdat onze bevatting van enige geestelijke waarheid volkomen is. Maar als wij weten dat wij moeten omkomen buiten Christus en dat Hij volkomen kan zalig maken, weten wij genoeg om ons een waarborg te geven dat wij onze ziel op Hem mogen werpen. Wij onteren Hem als wij vrezen dat Hij, als wij dat doen, onze hoop zal beschamen. Als u van streek geraakt bent door de hoge leerstukken van verkiezing en dergelijke onderwerpen, dan zou ik u willen raden de gezindheid van anderen aan de grote Rechter over te laten.

En wat uzelf betreft: ik denk dat ik niet veel behoef te zeggen om u te overtuigen dat als u zalig zult worden, dat zal zijn in een weg van vrije, soevereine genade. Laat discussies hierover aan anderen over; wacht op de Heere en Hij zal u alle dingen in zulk een mate en op Zijn tijd leren, als Hij het beste vindt. Misschien hebt u wel geleden door dingen op te vatten, waarbij u te veel op mensen hebt vertrouwd. Laat af van de mens wiens adem in zijn neus is. Eén is uw Meester, namelijk Christus. Lees biddend in de Bijbel en u kunt als vaste regel aanvaarden dat u, als een gevoelen betreffende enig deel van de Bijbel zó bij u overkomt, dat u het niet kunt aannemen, dat echt moet verdenken. Sta naar een opgewekte geest. Hoe meer u God vertrouwt, hoe meer u Hem dient. Als u toegeeft aan ongeloof en wantrouwen, verslapt u uw eigen handen en ontmoedigt u anderen. Wees dankbaar voor hetgeen de Heere u heeft laten zien en wacht op Hem voor meer. U zult ervaren dat Hij niet gezegd heeft: “Zoek Mijn aangezicht tevergeefs”.
Ik beveel u van harte aan Zijn genade en zorg aan.
Ik ben, enz.