Brieven aan mevrouw L: Eerste brief

Jon Newton Brieven

DEAR MADAM!

De klachten die u uit, zijn onafscheidelijk verbonden aan een geestelijke bekendheid met ons eigen hart. Ik zou niet willen dat u minder last zou hebben van een gevoel van inwonende zonde. Het betaamt ons dat wij vernederd worden tot in het stof. Toch kan onze droefheid, al kan die niet te groot zijn, verkeerd gericht zijn. Als die leidt tot ongeduld of ongeloof is dat zeker het geval. Zonde is de ziekte van de ziel en op zichzelf dodelijk en ongeneeslijk voor elke macht in hemel en op aarde, behalve voor die van de Heere Jezus alleen. Hij is de grote, onfeilbare Heelmeester. Hebben wij het voorrecht om Zijn Naam te kennen? Hebben wij onszelf in Zijn hand mogen geven? Dan hebben wij niets meer te doen dan Zijn voorschriften op te volgen, tevreden te zijn met Zijn handelingen en Zijn tijd af te wachten! Het is geoorloofd dat wij wensen dat het goed met ons gaat; het is natuurlijk dat wij zuchten als wij bezwaard zijn, maar Hij moet en zal toch Zijn eigen weg met ons gaan. Hoe ontevreden wij ook over onszelf zijn, toch behoren wij dankbaar te zijn dat Hij Zijn werk in ons begonnen is en te geloven dat Hij het ook zal voleindigen. Daarom, als wij treuren, moesten wij tegelijkertijd verblijd zijn. Wij behoren onszelf te bemoedigen door alles te verwachten wat Hij ons beloofd heeft en wij moesten onze verwachting beperken aan de hand van Zijn beloften.

Wij kunnen er zeker van zijn, als de Heere ons verlost van de schuld en de heerschappij van de zonde, dat Hij ons even gemakkelijk helemaal zou kunnen bevrijden van de zonde, als het hem behaagde. De leer van de zondeloze volmaaktheid moeten wij niet verwerpen, alsof die op zichzelf eenvoudigweg onmogelijk was, want voor de Heere is niets onmogelijk, maar wel omdat het tegen de handelwijze is, die Hij verkoren heeft om te volgen. Hij heeft bepaald dat de heiligmaking zijn loop zal hebben en dat de zonde gedood moet worden; niet direct totaal, maar stap voor stap, en ongetwijfeld heeft Hij daarvoor wijze redenen. Daarom, al begeren wij groei in de genade, wij moeten tegelijkertijd berusten in hetgeen Hij heeft bepaald en niet moedeloos zijn omdat wij die strijd voelen, waarvan Zijn Woord ons spreekt en die pas eindigt met ons leven. Verder, een van de eerste gebeden die de Geest van God ons leert opzenden, is om een helderder begrip van de zondigheid van de zonde en van onze verdorvenheid als gevolg daarvan. Welnu, als het de Heere behaagt uw gebeden in dit opzicht te verhoren, hoewel het u voldoende redenen verschaft tot vernedering, moeten wij het toch ook met dankbaarheid aanvaarden, als een teken ten goede. Uw hart is niet slechter dan tevoren, alleen uw geestelijke kennis is vermeerderd en dat is geen gering deel van de groei in genade, waar u ernstig naar verlangt, teneinde waarlijk vernederd en ontledigd te worden en klein te zijn in eigen ogen.

Voorts bewijzen de voorbeelden van de heiligen, die in de Schrift vermeld zijn, (en ook die van de heiligen in het algemeen) dat hoe groter mate van de genade Gods zij in waarheid hebben ontvangen, hoe nauwgezetter en levendiger zij zijn geweest. Hoe meer zij gezegend zijn geweest met een verzekering van de genade van God, hoeveel te dieper en gevoeliger hun ondervinding steeds geweest is van de inwendige zonde en van hun gebreken. Zo was het met Job, Jesaja, Daniël en Paulus. Het komt ook voor dat wij onszelf te veel beschuldigen. Weliswaar kunnen wij niet slecht genoeg van onszelf denken, zoals wij werkelijk zijn, toch zijn sommige dingen die de troost en de levendigheid van onze christelijke belijdenis verminderen eerder belemmeringen dan dat zij in feite zonde zijn. Die zullen ons ook niet worden toegerekend door Hem Die weet wat voor maaksel wij zijn, gedachtig zijnde dat wij stof zijn.

Als wij een gebrekkig geheugen hebben en neerslachtig en wat verward van geest zijn, zijn dat bijvoorbeeld gebreken in ons gestel, waarin de wil part noch deel heeft, hoewel ze lastig zijn en ons terneer drukken; soms zonder noodzaak, doordat wij onszelf daarover beschuldigen. Hetzelfde kan worden opgemerkt over de gruwelijke, felle inwerpingen van de satan, waarmee sommige personen gekweld worden. Die zullen hém toegerekend worden van wie zij afkomstig zijn en niet aan degenen die ermee gekweld en erdoor verschrikt worden, omdat zij voor hen gedwongen ervaringen zijn. Ten slotte is het door de ondervinding in ons van dit kwaad, en door het beleven van onze onbekwaamheid om onze plichten te volbrengen of onze vijanden te weerstaan, dat de Heere hierdoor aanleiding vindt om ons de gepastheid, de bekwaamheid, de soevereiniteit en de onveranderlijkheid van Zijn macht en genade te tonen. Dat is de conclusie die Paulus trekt uit zijn klacht (Rom. 7:25) en hij heeft het ook geleerd uit Gods eigen mond, bij een beproevende gelegenheid (2 Kor. 12:8,9). Laat ons daarom, geachte mevrouw, dankbaar en verblijd zijn; terwijl wij schaamte en schande op onszelf leggen. Laten wij dan God verheerlijken, door Jezus de eer van Zijn Naam te geven. Al zijn wij arm. Hij is rijk.

Al zijn wij zwak. Hij is sterk. Al hebben wij niets. Hij bezit alle dingen. Hij heeft voor ons geleden. Hij roept ons tot gelijkvormigheid met Hem in Zijn lijden. Hij heeft in eigen Persoon overwonnen en Hij zal maken dat elk van Zijn leden op Zijn tijd meer dan overwinnaar zal zijn. Het is goed dat wij met één oog op onszelf zien, maar het andere moeten wij voortdurend op Hem gevestigd houden. Die in betrekking tot ons staat als Zaligmaker, Man, Hoofd en Herder. In Hem hebben wij gerechtigheid, vrede en macht. Hij kan alles waarvoor wij vrezen in bedwang houden. Als onze weg gaat door water of door vuur, zal de vloed ons niet overstromen en het vuur zal ons niet aansteken. Eerlang zal Hij onze strijd beëindigen en zeggen: “Kom in!” Dan zullen wij onze dankbare lofzangen uitgalmen en dan zullen alle tranen afgewist worden. Aangezien wij zulke beloften hebben, en zulke een zekerheid, laat ons dan in Zijn Naam de banier opheffen en voortgaan, door elke teleurstelling heen.

Wat betreft het verkeren in gezelschap waar men geen gevoel heeft voor hetgeen het beste goed is, en het ook niet uw eigen keus is daar te zijn, zou ik u willen raden -als het dan noodzakelijk is- dit te dragen als uw kruis. Wij zullen er geen schade van ondervinden als we moeten verkeren waar dat noodzakelijk is, tenzij wij er zelf een afkeer van hebben. Als wij door Gods voorzienigheid daartoe geroepen worden (want zoiets moet wel eens, als het vrienden en betrekkingen aangaat, of zij het nu met ons houden of niet), is mijn gedachte dat zulke uren niet geheel verloren behoeven te zijn. Er kan niets gebeuren of wij kunnen er misschien een goed gebruik van maken. Het meest onbeduidende gesprek kan ons nieuw licht over het hart verschaffen, een nieuwe bevestiging van de waarheid van de Schrift geven en opnieuw een besef schenken van onze verplichting met betrekking tot de onderscheidmakende genade, die ons in elk opzicht van hen doet verschillen.

Ik zou wel willen, als u bij u vrienden bent, dat u zich niet beperkt tot de opvatting vrij en zonder schade van hen weg te gaan, maar dat u de hoop koestert dat u gekomen bent om sommige van hen goed te doen. U kunt nooit weten wat de uitwerking kan zijn van een woord of een blik, als het de Heere behaagt Zijn zegen daarover te geven. Ik geloof dat wij in alle nederigheid mogen hopen, als wij oprecht begeren de Heere te behagen en door Hem in alle dingen bestuurd te worden, dat Hij ons geen reis laat maken, of slechts een kort bezoek laat af leggen, dat voor onszelf of voor anderen, of voor beiden, niet zal beantwoorden aan een goed doel. Als onze vrolijke vrienden de neiging hebben om een grappige sfeer te scheppen, kan de Heere geven dat u als een stille getuige hun consciëntie raakt; dat zij iets in u opmerken, of iets van u horen, dat hen aan het denken zet. Misschien wel als u al weggegaan bent, of nadat dit voorval allang uit uw gedachten is (Pred. 11:1). Wat mijzelf betreft, als ik denk aan de macht, het vrij vallen van de Goddelijke genade en hoe soeverein de Heere is in het kiezen van de middelen waardoor het Hem behaagt te werken, koester ik elke dag hoop dergelijke wonderen te horen. Ik wanhoop aan niemand. En als ik soms geneigd ben te denken dat het voor zo en zo iemand minder waarschijnlijk is om toegebracht te worden dan voor anderen, beur ik mijzelf op met de mogelijkheid dat juist zó iemand juist daarom wel eens de eerste zou kunnen zijn. De gedachten des Heeren zijn niet als die van ons. In Zijn liefde en in Zijn handelingen zijn hoogten die wij niet kunnen bereiken, diepten die wij niet kunnen peilen, lengtes en breedtes die onze zwakke inzichten te boven gaan. Laten wij dan eenvoudig op Hem vertrouwen, het weinige dat wij kunnen, doen, en de uitkomst in Zijn handen geven.

(…) Weldra zullen wij thuis zijn, bij Christus, waar geen zonde, verdriet of dood zijn en ondertussen zal de Geliefde ons door de wildernis leiden. Wat zijn wij veilig en wat kunnen wij verblijd zijn, zelfs in het grootste onheil. Als dat enkele van de laatste tonen van de zwanenzang zouden zijn, denk ik dat zij het waard zijn om ze te bewaren. Kunnen wij niet op goede gronden zeggen: Wie zou er geen christen willen zijn? De Heere geve dat u en ik, mevrouw, én de uwen en de mijnen, gelukkig mogen delen in dezelfde zekerheid, als dood en eeuwigheid vlak voor ons liggen.
Ik ben, enz.
Juli 1764