Brieven aan de eerw. heer Ds. B: Zesde brief

Jon Newton Brieven

DEAR FRIEND!

Ik hoop dat de Heere mijn begeerten en mijn oogmerk op één onderdeel van mijn studie heeft geconcentreerd, namelijk de kennis van de waarheid. Alles wat men daarnaast verwerft, is voorbijgaand en betrekkelijk ijdel. Toch ben ik, helaas, maar een trage leerling en ik kan ook niet zien in welk opzicht ik vorderingen maak, behalve dat ik elke dag meer bevestigd word in de overtuiging van mijn eigen ledigheid en onbekwaamheid tot alle geestelijk goed. Aangezien ik ondanks dat nog steeds staande heb kunnen blijven, hoop ik (daar er geen gevolg kan zijn zonder een bijbehorende oorzaak) dat ik wat vorderingen gemaakt heb in een meer kinderlijke afhankelijkheid jegens Jezus als mijn “Alles in allen”, al is het dan op een voor mijzelf onopgemerkte wijze. Het wordt mij vergund te dorsten en te proeven, als het mij niet vergund wordt volop te drinken, en ik ben dankbaar voor deze begeerte.

Ik zie de wijsheid, de genade, de gepastheid en de volheid in de zaligheid, zoals die in het Evangelie is geopenbaard, en ik keur die weg ook goed. Aangezien dit Evangelie voor zondaren is, en ik een zondaar ben en de beloften vrij zijn, aarzel ik niet om die op mij toe te passen. Ik ben een vermoeide, beladen zondaar. Jezus heeft mij genodigd te komen en heeft mij in staat gesteld op Hem te vertrouwen. Ik heb zelden twijfel en onzekerheid, ten minste niet wat betreft de voortduur van de vergeving der zonden, mijn kindschap en het aandeel in alle zegeningen van het Nieuwe Verbond. En te midden van duizend gebreken en boosheden waaronder ik zucht, is daar het getuigenis van mijn geweten als ik mij bij Zijn Woord onderzoek, dat mijn begeerte oprecht tot Hem uitgaat, dat ik niets anders zoek, dat ik niet met eigen toestemming een andere meester dien.

Toen ik het onlangs in deze zin aan onze vriend X. vertelde, vroeg hij zich verwonderd af: “Hoe is het mogelijk, dat u, als u deze dingen kunt zeggen, niet altijd blij zou kunnen zijn?” Ongetwijfeld ontvang ik uit het Evangelie in de grond der zaak een vrede die meer waard is dan duizend werelden, maar het is echt zo – ik kan alleen maar voor mijzelf spreken – dat die, hoewel ik mij mag gronden op en ik mag leven uit de waarheden van het Evangelie, mij zelden doordringen met een warme, levendige blijdschap. In het openbaar lijk ik weliswaar ernstig en erg bewogen, maar zelfs dan komt het mij voor dat het eerder een deel van de gave is die mij is toevertrouwd om anderen te stichten, dan dat het een aandoening is die echt van mijzelf is. Als ik alleen ben, ben ik vaak in een ongewone mate dodig en ongevoelig, of een prooi van wilde, onbeheersbare denkbeelden, zodat ik naar waarheid kan zeggen: “Als ik het goede wil doen, ligt het kwade (het afschuwelijke kwade), mij bij”.

O, wat verschilt dat veel van gevoelige vertroosting! Als ik mijzelf met anderen zou vergelijken en hun ondervinding als norm voor mij zou aanleggen, en als ik daarbij niet ondersteund werd door in het verborgene de toevlucht te nemen tot het Woord van God, dat zeker is, wat zou ik het dan moeilijk vinden om de hoop te koesteren of ik wel deel of lot in deze zaak heb. Wat ik mijn goede tijden noem, zijn die wanneer ik enigermate mijn aandacht gericht kan houden op hetgeen waarmee ik bezig ben. Dat is echt niet altijd en ook niet veel het geval als ik bid en nog minder vaak als ik in de Schrift lees. Mijn verstand neemt deze middelen als gezegende voorrechten aan en de satan heeft mij daarvan niet kunnen afdrijven, maar wat de uitoefening betreft, voel ik dat maar al te dikwijls als een taak. Ik voel tegenzin als die tijden weer aanbreken en ik ben blij dat ze weer voorbij zijn. O, wat is het hart van een mens een verborgenheid! Wat is het leven des geloofs een strijd; tenminste, op de weg waarin het de Heere behaagt mij te leiden!

Wat heb ik redenen om als de voornaamste der zondaren in het stof te buigen en wat een oorzaak is er voor dankbaarheid dat de zaligheid geheel uit genade is! Niettegenstaande al mijn klachten, blijft het waar dat Jezus gestorven is en weer opgestaan is, dat Hij altijd leeft om voor mij te bidden en dat Hij volkomen kan zalig maken. Maar als ik anderzijds denk aan de blijdschap des harten, waarin sommigen van Gods kinderen leven, en dat vergelijk met die voelbare dodigheid en het gebrek aan geestelijkheid dat ik gewaar word, veroorzaakt mij dat droefheid. Ik denk echter dat er volgens de Schrift onderscheid is tussen geloof en gevoel, genade en troost. Die zijn niet van elkaar te scheiden en als zij samengaan, is waarschijnlijk de mate van het één vaak niet de juiste mate van het ander. Hoewel ik bid dat ik steeds het licht van Zijn aangezicht zou mogen begeren, ben ik toch zover tevreden dat ik geloven mag dat de Heere wijze en genadige redenen heeft dat Hij mij zo kort houdt wat betreft vertroostingen waarnaar Hij mij geleerd heeft te verlangen en die ik meer dan het zonlicht op prijs stel.
Ik verzoek u te geloven, dat ik waarlijk ben, enz.
14 April 1772