Hebzucht

Jon Newton Brieven

Uit John Newton’s Brieven

2 Oktober, 1795

Want dit weet u, dat geen enkele ontuchtpleger, onreine of hebzuchtige, die een afgodendienaar is, een erfdeel heeft in het Koninkrijk van Christus en van God. Ef. 5:5

Wat is hebzucht?

Hebzucht (begeerte) is een verschrikkelijke zonde, waar weinigen geheel vrij van zijn.

Hebzucht is bij uitstek een bedrieglijke zonde! Zij wordt bij anderen bekritiseerd en veroordeeld door tal van mensen die er zelf een gewoonte van maken! Het is heel lastig om hen die schuldig zijn aan deze zonde te overtuigen! Het maakt niet uit of dronkaards of hoereerders wel of geen acht slaan op de waarschuwingen van de prediker wanneer hij zegt dat zij die volharden in deze slechte praktijken, het koninkrijk Gods niet zullen beërven. Want deze zondaars kennen tenminste hun eigen karakter en zijn zich ervan bewust dat zij de mensen zijn die door hem bedoeld worden.

Maar als de prediker eraan toevoegt: “Noch de hebzuchtige mens – want zo iemand is een afgodendienaar” – dan zit de hebzuchtige mens gewoonlijk onbewogen, en is meer geneigd het dreigement op zijn naaste toe te passen dan op zichzelf! Als hij bereid is de dominee soms aan zijn tafel te ontvangen; als hij nu en dan een paar dollars geeft aan een of ander goed doel – dan vermoedt hij niet dat hij aansprakelijk is voor de aanklacht van hebzucht!

Er zijn twee woorden in het Griekse Testament die in onze vertaling worden weergegeven als hebzucht. Het ene betekent letterlijk: “de liefde voor geld”; het andere: “een verlangen naar meer”. De betekenissen zijn duidelijk hetzelfde, want niemand verlangt naar meer van datgene wat hij niet liefheeft; en aangezien iemand die zilver liefheeft niet tevreden zal zijn met het zilver dat hij al bezit, zal hij vanzelfsprekend naar meer verlangen.

Geld wordt in het begin meestal geliefd en gewaardeerd als een middel om andere dingen te verkrijgen die begeerlijk lijken; maar velen, die zo zijn begonnen, worden er uiteindelijk toe gebracht geld lief te hebben omwille van zichzelf. Zulke mensen worden vrekken genoemd. Wij ondervinden dat zij, bij lange na geen weldoeners zijn voor anderen, wreed tegenover zichzelf zijn, en, hoewel zij in weelde overvloedig zijn, zich nauwelijks de eerste levensbehoeften kunnen permitteren. Maar iemand kan zeer hebzuchtig zijn, hoewel hij nog niet overgegeven is aan deze geestelijke drift – hij kan zich gelukkig prijzen, en God danken dat “hij geen vrek is!”

Ik beschouw hebzucht als de meest algemeen heersende en verstrikkende zonde, waardoor belijders van het Evangelie, in onze materialistische maatschappij gehinderd worden in hun geestelijke vooruitgang. Een neiging die diep geworteld is in onze gevallen natuur, versterkt door de gewoonte van allen om ons heen, de macht der gewoonte. De fascinerende charme van rijkdom is niet gemakkelijk tegen te gaan.

Als wij waarlijk ware gelovigen in Christus zijn, zijn wij verplicht, en worden wij door onze Bijbelse voorschriften geacht onze genegenheid te richten op de dingen die boven zijn, en niet op de dingen die op de aarde zijn. Christus heeft ons uit de wereld geroepen, en ons gewaarschuwd tegen gelijkvormigheid aan deze wereld. Zolang wij in de wereld zijn, is het onze plicht, ons voorrecht en onze eer, die genade te openbaren, die ons verlost heeft van de liefde van de wereld. Christenen moeten natuurlijk eten en drinken, en mogen kopen en verkopen zoals andere mensen doen. Maar de principes, motieven en doeleinden van hun gedrag zijn geheel anders – zij moeten de leringen van God, hun Heiland, sieren, en alles doen tot Zijn eer!

Door Zijn wijsheid en voorzienigheid plaatst Hij hen in verschillende situaties, zodat de kracht en toereikendheid van Zijn genade kan blijken onder een grote verscheidenheid van uiterlijke omstandigheden. Hij geeft hun talenten, aan sommigen meer, aan anderen minder; maar allen om voor Hem te worden gebruikt. Of zij nu rijk of arm zijn, slaaf of vrije, zij zijn het door Zijn bepaling, waaraan zij, als zij zich blijmoedig onderwerpen, te zijner tijd zullen merken dat Hij beter voor hen beslist, dan zij voor zichzelf hadden kunnen beslissen.

Wanneer de taal van het geloof in praktijk wordt gebracht, zal het niet zeggen: “Wat is het meest bevorderlijk voor mijn tijdelijke gemak en welvaart?” Maar: “Wat zal mij de beste gelegenheid geven om Hem te verheerlijken, die mij gekocht heeft met Zijn bloed, en mij geroepen heeft uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht? Te veel van mijn tijd is reeds verspild, hoe zal ik het weinige onzekere restant van mijn tijd voor zijn dienst nuttig besteden? Ik ben te kortzichtig om voor mijzelf te oordelen – maar Hij heeft het tot nu toe bepaald. Ik begeef mij op de plaats waar Hij mij heeft gesteld, en de roeping waarin Zijn barmhartigheid mij vond (als het een wettige is) is de roeping waarin ik, voor deze tijd moet verblijven, omdat dat het beste voor mij is. Wanneer dit niet langer het geval is, mag ik erop vertrouwen dat Hij mij iets anders aanwijst. Maar tot dan wens ik tevreden te zijn met wat ik heb en er dankbaar voor te zijn. Hij kent mijn karakter, mijn gevoelens, mijn nood en mijn beproevingen; Hij staat mij toe, ja, nodigt mij uit om al mijn zorgen op Hem te werpen. Hij verzekert mij dat Hij voor mij zorgt, en daarom wens ik vandaag alleen maar te handelen of te lijden naar Zijn wil en de zorgen van morgen in Zijn handen te laten. Zolang ik leef, wil ik voor Hem leven. En als ik sterf – hoop ik tot Hem te gaan! Laat zijn genade mij genoeg zijn en dan zal alles goed komen.”

De christen weet, of zou moeten weten, dat het niet nodig is rijk te zijn, of bewonderd of benijd te worden door de ijdele, onnadenkende wereld – en dat het voor hem absoluut noodzakelijk is de vrede van het geweten en de gemeenschap met God te bewaren, evenals een opgewekte inspanning van geest in zijn dienst. En omdat zijn genadige Heere hem aanneemt, niet naar wat hij doet, maar naar wat hij zou doen als hij kon, zodat hij, die slechts een beker koud water kan geven aan een profeet, in de naam van een profeet, het loon van een profeet zal ontvangen; in dit opzicht staat al Zijn volk, hoe verschillend de situatie ook is, op één lijn. Lukas. 21:3-4.

Maar, helaas, hoeveel mensen zijn er die beweren het Evangelie te kennen en te koesteren en er heel anders over denken! Het enige teken van hun belijdenis is hun aanwezigheid bij de zondagsdienst! Op andere tijden, en in andere opzichten, zijn zij niet gemakkelijk te onderscheiden van de wereld. Als hun huizen, meubels, tafels en andere bezittingen hen behoeden voor de verdenking van vrekkigheid, dan is de manier waarop zij wereldse dingen zoeken voldoende bewijs dat zij hebzuchtig zijn. Als zij, wanneer zij tijd vinden om over godsdienst te spreken, klagen over hun slechte gesteldheid en dat zij weinig troost hebben in de wegen van God, is dit voor ons een gunstig teken om aan te nemen dat, te midden van al hun gejaagdheid, er op de bodem een sluimerende oprechtheid aanwezig is. Immers, hoe kan het ook anders, indien zij een vonk van geestelijk leven en genade in hun harten zouden hebben, terwijl zij trachten twee wegen tegelijk te zoeken en de onverenigbare aanspraken van God en de mammon met elkaar te verzoenen? Hun liefde voor geld en hun verlangen naar meer zijn altijd in beweging. Wat dat betreft variëren hun agenda’s van het begin tot het einde van het jaar zelden. Zij staan vroeg op, gaan laat naar bed, en eten het brood der smarten – opdat zij met de wereld kunnen wedijveren in hun bezittingen, en voor hun kinderen strikken, doornen en lasten opwerpen!

Dikwijls proberen zij, wanneer zij een wettig beroep uitoefenen, die als de gelegenheid zich voordoet, hen comfortabel in hun onderhoud voorziet, gretig een ander winstperspectief aan te grijpen, hoewel zij daardoor hun zorgen verdubbelen, en nog meer tijd in beslag nemen die zij aan de zorgen van hun zielen zouden moeten besteden. Zulke gelegenheden noemen zij voorzienige kansen, en wellicht zeggen zij dat zij er dankbaar voor zijn; niet bedenkende dat zulke gelegenheden van de Voorzienigheid dikwijls verzoekingen of beproevingen zijn, die de Heere een mens laat ontmoeten, om te beproeven wat er in zijn hart is, en om hem te beproeven of hij zijn oprechtheid zal bewaren of niet, en of zijn genegenheden werkelijk gericht zijn op de dingen die boven zijn, of nog steeds aan de aarde kleven.

Soms heeft de Heere er behagen in om een van Zijn dienaren, wat de wereld “voorspoed” noemt, te geven. Hij plaatst hem in een levenswandel die past bij zijn verlangen en bekwaamheden, bereidt een effen weg voor hem, en, door een zegen te geven op zijn ijver en spaarzaamheid, vermeerdert de man zijn rijkdom met weinig zorg van zijn kant, dan alleen door een trouwe betrachting voor de plichten van zijn roeping. Zo iemand is een weldaad voor de gemeenschap. De Heere, die hem rijkdommen geeft, leert hem ook hoe hij ze moet gebruiken. Hij hecht vooral waarde aan de vermeerdering van zijn bezit en invloed omdat deze zijn christelijke nuttigheid in het algemeen vergroot. Hij is bereid en actief om de zaak van God in de wereld te bevorderen en de noden en ellende van zijn medemensen te verlichten. Hij is de ogen voor de blinden en de voeten voor de lammen; de vriend van de vaderlozen en van de weduwen. Er zijn onder ons mensen van dit karakter te vinden; maar in de meeste gevallen, slokt de wereld de meeste belijders op!

Want zij die, zoals de apostel het uitdrukt, “ernaar verlangen rijk te zijn”, die elke spier spannen om zich met een dikke laag klei te beladen, om gevonden te worden op de lijst van hen die veel geld verdienen – krijgen misschien, (en dikwijls gebeurt dat ook) de armzalige beloning die zij zoeken. Zoals in het geval van Israël, toen zij niet meer tevreden waren met brood uit de hemel en met grote aandrang om vlees schreeuwden. God gaf aan hun begeerte, maar maakte hun zielen tegelijkertijd arm. Zij stellen zich bloot aan verzoekingen en strikken, aan dwaze hartstochten en begeerten; en zo verdrinken maar al te velen, die bij de eerste aanvang een goed leven beloofden in verderf en ondergang! Want er staat in de Schrift geschreven, dat “geen hebzuchtig mens, die een afgodendienaar is, het Koninkrijk Gods zal beërven!” En de Schriften kunnen niet verbroken worden!

In het beste geval, indien zij uiteindelijk niet omkomen, lopen zij groot gevaar van het geloof af te dwalen, en doorsteken zij zichzelf ongetwijfeld met vele smarten – want de liefde tot het geld is de wortel van alle kwaad. Wij kunnen van het geloof afdwalen, zonder de vorm van onze geloofsbelijdenis te veranderen of leerstellige dwalingen in ons op te nemen. Geloof is een actief, krachtig beginsel; het is zich bewust van de onzichtbare dingen, het leidt naar de troon der genade, het voedt zich met het Woord des levens, het verlangt en verkrijgt gemeenschap met God, en kracht van de Geest der genade, die het hart zuivert en door liefde werkt, en de wereld overwint. Dit zijn de zekere gevolgen van het geloof; en hij die deze niet in enige mate bij zichzelf ervaart, kan een mening hebben, een begrip van de waarheden van het Evangelie, en kan in theorie gelijk hebben; maar hij is óf een volslagen vreemdeling voor het geloof van Gods volk, óf hij is er enorm van afgedwaald!

“Want geldzucht is een wortel van alle kwaad. Door daarnaar te verlangen, zijn sommigen afgedwaald van het geloof, en hebben zich met vele smarten doorstoken.” 1 Timotheüs 6:10. Wie kan de vele smarten opsommen waarmee de hebzuchtige en wereldgezinde professor wordt doorboord! Vooral als het de Heere behaagt hem genadig te zijn, en Hij hem eindelijk wil bevrijden uit de strikken waarin hij verstrikt is geraakt. Dan, vroeg of laat, worden zijn plannen verbroken; verliezen, kruisen, teleurstellingen en angsten maken zijn geest somber. Oneigenlijke relaties, die hij aanging omdat hij rijk wilde worden, worden doornen in zijn zijde en in zijn ogen! Hij vertrouwde op mensen – en mensen bedrogen hem! Hij leunt op een zwak riet – dat breekt én hij valt. Zo ontdekt hij dat de weg van overtreders en afvalligen hard is! Zijn benauwdheid wordt verergerd door de stem van het geweten, die zal spreken en gehoord zal worden: “Hebt gij dit niet over uzelf afgeroepen, doordat gij de Heere, uw God, verlaten hebt, toen Hij u langs de weg leidde?”

Begeerte, of de liefde tot de wereld, is een grote oorzaak van de vele beproevingen die wij in het leven tegenkomen. Het beginsel van dit kwaad is zo sterk in ons, en wordt zo krachtig gevoed door bijna alles om ons heen, dat het zelden onderdrukt wordt, dan door een strenge tuchtiging. Velen hebben nu reden om dankbaar te zijn voor die bedelingen van de Voorzienigheid die voorheen zeer streng leken. Als de Heere niet tijdig hun levensplannen had verijdeld, hun pompoenen had verdord, hun waterreservoirs had gebroken en hen had verwond waar zij het gevoeligst waren – dan zouden zij misschien, ja, dan zouden zij van kwaad tot erger zijn gegaan! Maar verliezen zijn gewin, en de zwaarste beproevingen zijn barmhartigheden – wanneer zij geheiligd zijn om ons tot het rechte verstand te brengen, en om onze voeten te leiden op de paden des vredes!

Als u dus, beste lezer, moeilijkheden wilt vermijden en zo aangenaam mogelijk door het leven wilt gaan, let dan op en pas op voor begerigheid! Als de Heere u liefheeft, zal Hij u niet verliezen; en daarom zal Hij u, zo nodig, eerder in een vijzel slaan, dan toelaten dat die begeerte die Zijn ziel verafschuwt in u blijft, en die, als zij zou blijven bestaan, u zou uitsluiten van Zijn koninkrijk. Jezus heeft gezegd, en de dagelijkse ervaring en waarneming bevestigen deze uitspraak: “Kijk uit en wees op uw hoede voor de hebzucht. Immers, al heeft iemand overvloed, zijn leven (de ware troost ervan) behoort niet tot zijn bezit. Goud kan geen gemoedsrust geven, noch het gebrek daaraan compenseren. Zij die tevreden zijn met slechts weinig goederen van deze wereld, moeten ongetwijfeld gelukkiger zijn dan zij die niet tevreden zijn met overvloed. Bedenk ook, dat waar veel gegeven wordt, veel geëist zal worden; en overweeg ernstig, wat zal het een mens baten, als hij de gehele wereld zou winnen, en zijn eigen ziel zou verliezen!

John Newton Brieven & Leven