Eenentwintig brieven aan zijn pleegdochter: Zestiende brief

Jon Newton Brieven

MIJN LIEVE KIND,

Als je uit gevoeligheid enkele tranen laat wanneer je hoort dat je tante C. uit deze wereld van zonde en smart is weggenomen, vind ik dat niet erg. Ik wil echter niet dat je veel tranen vergiet en er is evenmin echt reden voor. Als we haar nu zouden kunnen zien, zou ze ongetwijfeld zeggen: ‘Ween niet over mij, ik ben gelukkig!’ Ja, ze kende de Heere en had Hem lief. Ze leefde in het geloof in Hem en in Zijn vreze, en stierf in Zijn vrede en gunst. Nu is ze voor de troon. Zij had haar deel van beproevingen in dit leven, maar nu zijn ze allemaal voorbij. Ze heeft de goede strijd gestreden en de Heere heeft haar meer dan een overwinnaar gemaakt. Nu heeft ze de kroon van de overwinning verkregen en zingt ze het zegelied. Hoe hartelijk ik je ook liefheb, ik geloof dat ik het ook zou kunnen verdragen om van jou gescheiden te worden als ik zeker wist dat de Heere het zegel van Zijn liefde op je hart had gezet en je Zijn merkteken gegeven had.

Als dat nog niet is gebeurd, hoop ik dat Hij het doen zal. Als Hij je hart nog niet geheel in bezit genomen heeft, hoop ik dat je beseft dat Hij als het ware aan de deur staat en klopt, dat Hij wacht om je genadig te zijn. De deur van het hart wordt niet gemakkelijk geopend. De liefde tot de zonde, het eigen ik en de wereld zijn allemaal hindernissen die wij niet in eigen kracht kunnen wegnemen. Toch kan Hij deze deur gemakkelijk openen (omdat alle dingen gemakkelijk zijn voor Hem) en Zich met zoete liefdesdwang toegang verschaffen. Ik hoop dat jij verlangt dat Hij dit doen zal en dat jij van jouw kant niets wilt doen wat Hem bedroeft en noopt om Zich terug te trekken en jou met rust te laten. Je kunt niet veel doen. Sterker nog, je kunt in geestelijk opzicht niets voor jezelf doen. Toch is er iets te doen voor jou. Je moet wachten, bidden en uitzien naar Zijn zegen. Je moet Zijn Woord lezen en dat proberen tot je leefregel te maken, in zoverre als je het kunt verstaan. Je moet acht geven op Zijn stem in jouw geweten en niet je moedwillig dingen veroorloven waarvan je weet dat ze verkeerd zijn.

Het is de wens en het gebed van mijn hart dat je nu op deze weg zult wandelen. Te zijner tijd zal dan aan jou de volgende belofte vervuld worden: ‘Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen om de HEERE te kennen.’ (Hos. 6:3) Je mag van mij aannemen dat we thuis bij deze gelegenheid gehuild hebben. De Heere is echter zeer goed. Hij heeft je moeder ondersteund. Het gaat redelijk goed met haar. Ik verlang ernaar om je te zien, vooral nu, zodat we samen de Elegy van Gray kunnen lezen. Ik hoop dat we op de grote examendag bij je mogen zijn en verheug mezelf met de gedachte dat jij het goed zult doen. Ik zou graag willen dat jij je angst en gejaagdheid zult overwinnen die je van je stuk brengen als de ogen van de mensen op je gericht zijn. Het is echter een vergeeflijke fout en veel beter dan de overmoedige, vrijpostige, zelfverzekerde houding van verschillende jonge mensen die erg afstoot. Er is echter een middenweg en ik wil graag dat jij je daarop richt.

19 mei 1783