Eenentwintig brieven aan zijn pleegdochter: Vijftiende brief

Jon Newton Brieven

MIJN LIEVE KIND,

Zojuist heb ik de korte, lieve brief van mijn kind ontvangen. Omdat er niets is wat mij verhindert, ga ik die onmiddellijk beantwoorden. Het gebeurt niet vaak dat de grond in de omgeving van Londen op 8 mei nog met sneeuw is bedekt, maar we hebben het weleens meegemaakt. Een reden dat je verbaasd bent, is dat je jong bent en dat het misschien de eerste keer is in de jaren dat je het hebt kunnen zien. Bij het opgroeien zul je veel andere dingen meemaken die je om dezelfde reden zullen verbazen. In mei verwachten we bloemen op de grond en geen sneeuw. De genoegens waarop je nu hoopt en die van tevoren net zo mooi schijnen als we ons gewoonlijk een mei morgen voorstellen wanneer we daarover spreken in de winter, zullen niet altijd aan onze verwachting beantwoorden. Als die tijd aanbreekt, zal er ook iets gebeuren waaraan jij niet gedacht hebt en wat net zo abnormaal is als sneeuw in mei, en jij zult verbaasd en teleurgesteld zijn; in elk geval in het begin en zolang je nog niet aan die veranderingen gewend bent.

Tegen de tijd dat je zo oud bent als ik zul je daar niet meer zo verwonderd over zijn en ik hoop dat de Heere je lang daarvóór zal leren om daar profijt uit te trekken. We moeten leren dat alles in deze wereld onzeker en onbevredigend is. Anders zouden we aan deze wereld genoeg hebben en niet aan een betere denken. Een reden waarom jonge mensen zelden ernstig zijn is dat de wereld zo aangenaam en veelbelovend lijkt. Ze verwachten rozen zonder doornen en mei zonder sneeuw. Ik hoop dat de Heere je spoedig wijs wil maken, zodat je Hem nu mag gedenken en zoeken in de dagen van je jongelingschap, eer de kwade dagen komen (want ze zullen komen) waarin je er geen lust in hebt.

Die dagen zijn in elk geval vroeg gekomen voor mevrouw B. Als het mogelijk was, zou ik wel willen dat alle meisjes van de scholen in Londen haar konden zien. Wat betekenen het plezier en de pret, waaraan velen denken, nu voor haar. Ze is als het ware opgesloten in de bloei van het leven, niet in staat om zich te bewegen en pijn is haar voortdurende metgezel, dag en nacht! Ik was diep getroffen toen ik haar zag, maar ik geloof dat ik haar niet lang meer zal kunnen zien. In deze drie dagen is haar toestand zeer verslechterd. Ik heb haar gisteren twee keer bezocht en vanmorgen was ik weer bij haar. De dokters denken dat ze niet zo veel dagen meer te leven heeft en dat denkt ze zelf ook. Ik ben blij te merken dat ze bereid is om te sterven. Als haar lijden geheiligd is en haar hart tot de Deere heeft gebracht, dan zullen we ons over haar verblijden en haar niet zeer beklagen. We kunnen beter ziek zijn, of verlamd, of veel pijn lijden en Hem zoeken dan een zogenaamd gelukkig leven leiden zonder God in de wereld.

Kun je niet proberen de regels wat dichter op elkaar te schrijven? Je papier lijkt wel een half gemeubileerde kamer. Ik wil een echte lange brief, het geeft niet waarover, zodat het schrijven je geen moeite hoeft te kosten. Je leest weleens. Is er niets in je boeken te vinden waarover je mij kunt vertellen? Je gaat weleens wandelen en zonder twijfel kijk je dan om je heen. Kijk aandachtig naar alles waar je oog op valt. Denk erover na en observeer het en sla die gedachten dan goed op in een hoekje van je geheugen, zodat je mij er in je volgende brief deelgenoot van kunt maken. Ik krijg graag een lange brief, vooral van jou, omdat ik je heel erg liefheb. Vaarwel, de Heere zegene je. Dat is het gebed van je liefhebbende vader.

12 mei 1783