Eenentwintig brieven aan zijn pleegdochter: Negentiende brief

Jon Newton Brieven

MIJN LIEVE KIND,

Ik hoop dat je nu tot rust kunt komen, want je bent erg druk geweest sinds het midden van de zomer. Hopelijk verlang je door al die bezoeken en alle bedrijvigheid weer naar de rust en regelmaat van school. Wat een fijne plaats en wat een mooie periode in je leven, als je dat inziet vóór je wordt geplaagd door moeiten en zorgen. Ik wenste wel dat je blij zou zijn met al mijn brieven en er lering uit zou trekken. Ik wil soms een lach op je gezicht brengen en zoek altijd het goede voor je. Nu moet ik iets schrijven over je karakter. Ik geloof niet dat je een slecht karakter hebt. Je moeder en ik zijn altijd geneigd positief over je karakter te oordelen en we zijn blij dat we kunnen zeggen dat je over het algemeen hartelijk en beleefd bent. Soms zien we in jou dingen die we liever voor andere ogen verborgen willen houden. Nog liever willen we dat je die gebreken zou overwinnen, zodat wij, die je zo liefhebben, er geen verdriet meer van hebben.

Het is een zeker koppig ongeduld waardoor je, als jouw verlangens gedwarsboomd worden of als er iets van jou verlangd wordt dat je niet echt leuk vindt, geneigd bent te pruilen, te fronsen of een gezicht te trekken, zodat je vaak een slechte indruk maakt in gezelschap. Je schijnt niet graag iets na te laten of te denken dat het fijn is om iets te laten om je moeder een plezier doen, maar je wilt liever je eigen zin doen. Als je gaat zitten en bedenkt hoe lief we je hebben en hoe we ons inspannen om jou een genoegen te doen en blij te maken, hoop ik dat je zult vechten tegen deze norse buien. Ik noem het zo, omdat ik geloof dat het niet komt door een gebrek aan genegenheid en dankbaarheid bij jou, maar denk dat het eerder veroorzaakt wordt door een karaktereigenschap die je kunt overwinnen als je ertegen vecht.

Dat ben je niet alleen verplicht vanwege onze liefde en genegenheid. Ik kan je nog een reden noemen waarom je daar aandacht aan moet schenken. Ik heb je herhaaldelijk verteld en ik zeg het je opnieuw dat de komst van je nicht niets veranderd heeft aan onze liefde voor jou. Je bent nog steeds ons eigen lieve kind en dat zul je blijven. We hebben genoeg liefde voor jullie allebei. Maar het is natuurlijk afhankelijk van je gedrag hoe we die liefde tonen. Soms moeten we je, hoewel met tegenzin, vermanen en tegenspreken, terwijl we haar niet kunnen bestraffen, omdat ze ons daar nooit aanleiding toe geeft. In de zeven maanden dat ze bij ons is geweest, heeft ze nooit woorden met ons gehad en haar gezicht is geen moment betrokken geweest.

Ze let op onze gelaatsuitdrukking en bij de minste hint dat iets wat zij voorstelt ons niet aanstaat, ziet ze ervan af en geeft het met een glimlach op. Daaruit blijkt dat het haar niets kost, maar dat ze het ons liever naar de zin maakt dan zichzelf. Je moet toegeven, mijn lieve kind, dat dit heel innemend is. Ik zou willen dat jij net zo innemend was en in geen enkel opzicht bij haar achterblijft. Heb je gehoord van de ziekte van je goede vriendin, mevrouw Ze verwachten niet dat ze nog zal herstellen; misschien is ze nu al overleden. Hoe gezond leek ze nog te zijn toen we er kortgeleden dineerden. Zo onzeker is het leven. Zelfs jonge mensen hebben geen zekerheid dat ze hier zullen blijven. Ik hoop dat je het gebed van David uit Psalm 39:5 zult bidden en dat de Heere het zal verhoren. Als je Hem leert kennen als je Zaligmaker, mag je de lofzang van Simeon zingen. We kunnen niet echt getroost leven, zolang we niet verlost zijn van de vrees des doods.

Je zeer liefhebbende vader
16 oktober 1783