Christelijke vrijheid

Jon Newton Brieven

Door John Newton aan de Graaf van Dartmouth

November, 1776.

Mijn reis naar Londen, die mij in oktober verhinderde te schrijven, maakte het goed door u persoonlijk op te wachten. Zulke gelegenheden zijn niet alleen aangenaam op dat moment, maar verschaffen mij ook plezier bij de terugblik. Ik had graag gezien dat het half uur dat we samen waren, verlengd was tot een halve dag. Het onderwerp dat u zo vriendelijk was ter sprake te brengen, heeft me vaak beziggehouden en ik zou blij zijn als ik u daarover iets bevredigends kon vertellen.

Het lijdt geen twijfel dat de eerste religieuze indrukken gewoonlijk vermengd zijn met een wettische inslag, en dat het geweten op zo’n moment niet alleen teer is, maar ook verkeerd onderlegd en nauwgezet. En ik geloof, zoals u hebt laten doorschemeren, dat wanneer het verstand meer verlicht is, en we ons bevrijd voelen van vele boeien die we onszelf hadden opgelegd – we het gevaar lopen te ver naar het andere uiterste af te glijden.

Het lijkt mij dat geen enkel mens het gemiddelde kan bepalen en voor een ander de exacte grens kan trekken. Er zijn in elke situatie zoveel bijzonderheden, waarover een vreemde geen deskundig oordeel kan vellen, en de beste menselijke adviezen en voorbeelden zijn vermengd met zulke gebreken – dat het niet juist is van anderen te verwachten dat zij zich geheel en al laten leiden door onze voorschriften. Evenmin is het veilig voor ons om de beslissingen of praktijken van anderen automatisch over te nemen.

Maar de Schrift geeft ongetwijfeld voldoende en onfeilbare regels voor ieder mens, in welke omstandigheid hij zich ook bevindt; en de troon der genade is voor ons aangewezen om op de Heere te wachten voor de beste uiteenzetting van Zijn voorschriften. Zo bidt David dikwijls om geleid te worden op de rechte weg – op het pad des gerichts. Door veelvuldig gebed, en intensieve kennisneming van de Schrift, en een dagelijkse opmerkzaamheid voor de gesteldheid van ons hart – kan een zekere fijngevoeligheid van geestelijke smaak en onderscheidingsvermogen worden verworven, die de grenzen van goed en kwaad volkomen overbodig maakt. Liefde is de duidelijkste en meest overtuigende maatstaf; en wanneer onze liefde tot de Heere in beoefening is, en wij de voorschriften van Zijn Woord op het oog hebben – maken wij zelden grote vergissingen.

Vanaf het moment dat wij de Heere kennen en met Hem verbonden zijn door koorden van liefde en dankbaarheid – zijn de twee voornaamste punten die wij in het oog moeten houden, naar ik aanneem, het onderhouden van de gemeenschap met Hem in onze eigen zielen, en Hem te verheerlijken in de ogen van de mensen. In overeenstemming met deze opvattingen, hoewel de Schrift het niet met zoveel woorden benoemt of verklaart, voorziet zij ons toch van –  hetzij wat de een goed en de ander juist afkeurt – van enige algemene richtlijnen, die, indien juist toegepast, misschien een heel eind zullen komen in de richting van het ophelderen van het twistpunt, althans voor diegenen die liever God dan de mens behagen.

Enkele van deze voorschriften zal ik aan uwe edelachtbare overbrengen; Rom. 12:1, 2; 1 Kor. 8:13 en 10:31; 2 Kor. 6:17; Efez. 4:30 en 5:11, 15, 16; 1 Thess. 5:22; Efez. 6:18; waaraan ik, als passend in de tegenwoordige tijd, kan toevoegen Jesaja 22:12 en Lukas 21:34. Ik vrees dat de geest van deze en soortgelijke passages uit de Schrift (want het zou gemakkelijk zijn om er nog meer aan te halen) een christen onder de volgende beperktheden zal brengen.

1. Om, voor zijn eigen bestwil, alles te vermijden en na te laten wat de neiging heeft om zijn geest te verzwakken en af te leiden in het gebruik van de genademiddelen. Want als zulke dingen op zichzelf niet zondig zijn, als ze niet onwettig zijn, ja als ze, wanneer ze naar behoren betracht worden, wettig en juist zijn (vaak zijn onze voornaamste struikelblokken met onze zegeningen verstrengeld), doch herhaaldelijk een duidelijke neiging hebben om onze harten te verduisteren voor Goddelijke dingen, hetgeen ieders ervaring moet uitwijzen, dan moet er iets in zijn, hetzij in het jaargetijde, hetzij in de maat, hetzij in de omstandigheid – dat verkeerd is voor ons. En laat hen beloven wat zij willen, zij beroven ons slechts van ons goud – om ons met snuisterijen te betalen. Want het licht van Gods aangezicht, en een opgewektheid van geest wanneer wij persoonlijk met Hem wandelen, is onze voornaamste vreugde. Wij mogen daarom wel bedroefd zijn, als wij iets najagen, toestaan, of er rust in vinden – dat iets daarvan als een aanvaardbaar plaatsvervanger wordt gezien.

2. Ter wille van de gemeente en de invloed die het voorbeeld kan hebben op zijn medechristenen – de wet van naastenliefde en voorzichtigheid zal een gelovige dikwijls verplichten zich van sommige dingen te onthouden, niet omdat ze onwettig zijn – maar ondoelmatig. Zo zou de apostel, hoewel hij ijverde voor het recht van zijn christelijke vrijheid, zichzelf het gebruik hebben beperkt, om geen vlees te eten – in plaats van een zwakke broeder te beledigen, of hem te misleiden om te handelen tegen het huidige licht van zijn geweten in.

Op grond van dit beginsel zou ik, wanneer ik zonder schade voor mijzelf een volksvermaak zou kunnen bijwonen – en daarna met een warm hart naar mijn gebedskamer zou kunnen terugkeren, (waarvan ik de mogelijkheid in mijn eigen geval ten zeerste betwijfel), het mijn plicht achten om te wachten, opdat niet iemand die zwakker is dan ik, door mij zou worden aangemoedigd om hetzelfde experiment te doen, hoewel hij in zijn eigen gemoed zou kunnen vrezen dat het verkeerd is, en geen andere reden zou hebben om het geoorloofd te achten dan omdat ik het deed; in dat geval zou ik vermoeden dat, hoewel ik geen schade heb ondervonden – zij dat wel zouden doen.

Ik heb sommigen gekend en gesproken die, naar ik vrees, schipbreuk hebben geleden in hun beroep, die hun eerste neergang te danken hadden aan het navolgen van anderen, van wie zij dachten dat zij wijzer en beter waren dan zijzelf, in dit soort meegaandheid. En het schijnt dat een verplichting tot dit soort zelfverloochening toeneemt en wordt versterkt en evenredig is met het gewicht en de invloed van onze karakters. Als ik in het privé-leven stond, weet ik niet of ik het zondig zou vinden om op patrijzen of konijnen te jagen; maar als predikant durf ik het net zo min te doen als ik durf deel te nemen aan een dronkemansstoeipartij, omdat ik weet dat het sommigen aanstoot zou geven en door anderen als een vrijbrief zou worden aangevoerd.

3. Er is ook een plicht en een naastenliefde, die wij verschuldigd zijn aan de wereld in het algemeen, evenals een trouw aan God en Zijn genade – in onze nodige onderlinge omgang onder hen. Dit schijnt te vereisen dat, hoewel wij niet onnodig op onszelf moeten zijn, wij toch, tot hun onderwijzing en tot eer van onze Heere en Meester, een zekere soort van op zichzelf staandheid bewaren, en ons geroepen tonen om een afgezonderd volk te zijn; dat, hoewel de voorzienigheid van God ons roepingen en betrekkingen heeft gegeven om te vervullen, (waarin wij niet al te nauwkeurig kunnen zijn), wij toch niet van de wereld zijn – maar tot een andere gemeenschap behoren, en handelen vanuit andere beginselen, volgens andere regels, en voor andere doeleinden – dan de algemeenheid van degenen die om ons heen zijn.

Ik heb opgemerkt, dat de wereld de belijders dikwijls rustig in het bezit laat van hun opvattingen en gevoelens, en van hun plaatsen van eredienst – mits zij niet te streng zijn in de zaak van overeenstemming met hun meer algemene gewoonten en vermakelijkheden. Maar ik vrees dat velen van hen hun vooroordelen tegen onze heilige godsdienst versterkt hebben door zulke meegaandheid, en gedacht hebben dat als er zulk een vreugde en troost te vinden was in de wegen van God als zij van onze kansels horen – dan zouden de belijders niet in zulke aantallen onder hen komen, en zo dikwijls, om verlichting smeken, van de last der tijd die aan hun handen kleeft.

De voorzienige en noodzakelijke oproepen van de plicht, die ons in de wereld brengen, zullen ons geen kwaad doen – als wij de geest van de wereld als onaangenaam ervaren, en blij zijn ons daaruit terug te trekken, en ons er zoveel mogelijk buiten te houden, als onze betrekkelijke plichten ons toestaan. Dat wat ons kruis is – zal niet zo gauw onze strik zijn. Maar als die geest, waartegen wij altijd moeten waken en bidden, onze geest infecteert en met zich verenigt, dan zijn wij er zeker van verlies te lijden, en beneden de waardigheid van ons beroep te handelen.

Over het algemeen komt het mij voor dat het eervoller, aangenamer en veiliger is (als we de gulden middenweg niet precies kunnen vinden) om door sommigen te nauwgezet en precies gevonden te worden – dan werkelijk te meegaand gevonden te worden met die dingen die, als ze niet absoluut in strijd zijn met een Goddelijk gebod, nauwelijks verenigbaar zijn met de strekking van het Evangelie, of overeenstemmend met de gezindheid die in Christus Jezus was, welke ook in Zijn volk zou moeten zijn.

De plaatsen en vermaken die de wereld bezoekt en bewondert, waar gelegenheden en verleidingen tot zonde worden gekweekt, waar zondige hartstochten worden opgewekt en toegegeven, waar de vreze Gods zo weinig bekend is of wordt geacht, dat zij die Hem vrezen hun tong moeten inhouden, al zouden zij Zijn naam horen lasteren, kunnen nauwelijks de vrijwillig gekozen grond van een Christen zijn. Toch vrees ik dat deze eigenschappen van toepassing zijn op elke vorm van vermaak in dit land.

Wat de familiebanden betreft, denk ik niet dat wij verplicht zijn deze te verbreken of te verloochenen. Maar aangezien gelovigen en hun verwanten dikwijls als het ware in twee elementen leven, is er een wederzijdse ongemakkelijkheid, die hun omgang nogal droog en eentonig maakt. Maar daarom komen zij minder vaak voor dan anders het geval zou zijn, hetgeen een voordeel lijkt. Beide zijden behouden de waardigheid en genegenheid; maar omdat zij zich niet kunnen verenigen in gevoel en leidende neiging, zullen zij er niet toe komen zeer dikwijls samen te zijn, tenzij er iets aanzienlijks wordt opgegeven door de een of de ander. Ik denk dat christenen heel voorzichtig moeten zijn met de concessies die zij in dit verband doen. Maar, zoals ik in het begin zei, er kunnen geen algemene richtlijnen worden opgesteld.

Ik heb u eenvoudig de gedachten gegeven die bij mij opkwamen tijdens het schrijven, zonder studie en zonder samenhang. Ik durf niet dogmatisch te zijn, maar ik denk dat wat ik geschreven heb in overeenstemming is met zowel bepaalde teksten als met de algemene strekking van de Schrift. Ik zal het aan uw oordeel overlaten.

John Newton Brieven & Leven