Brieven aan zijn vrouw: Vierde brief

Jon Newton Brieven

MY DEAREST,

Ik heb de vriendelijke brief van je zus ontvangen, met onderaan jouw lieve naam, door jouw eigen hand geschreven. Wat een welkom aanzicht! Daarvoor mag ik dankbaar zijn.

Ik heb gisteren zaken gedaan. Ik moet de ene week de getijden bijhouden en de schepen bezoeken die aankomen en die op de rivier liggen. De andere week moet ik de schepen in de dokken inspecteren, en zo het hele jaar door afwisselend. Dit laatste is vrij gemakkelijk, maar het eerste vereist een vrij constante aanwezigheid, zowel overdag als ’s nachts. Ik heb een goed kantoor, met vuur en kaarsen, vijftig of zestig mensen onder mijn leiding, met een mooie boot met zes riemen en een stuurman die me rond roeit. Meneer W_ ging met me mee op mijn eerste tocht naar de Rots. We zagen een schip en zwierven over de heuvels tot het binnenkwam. Toen ging ik aan boord en vervulde mijn taak met de nodige ernst. En, als het niet mijn werk was geweest, had het geheel kunnen doorgaan voor een pleziertochtje.

Vandaag waait het hard, maar u hoeft zich op zulke momenten niet ongerust te maken over mij. Want hoewel ik vanwege mijn functie veel op de rivier zal zijn, is het afhankelijk van het weer of ik al dan niet aan boord ga. Mijn positie bevalt me en ik zal het spoedig meester zijn. Onthoud dat ik op het pad van de plicht ben, en onder de bescherming van Hem Die de winden en de zeeën gehoorzaamt.

Ik zie dat u erover denkt om naar Eltham te verhuizen. Ik bid de Heere u te leiden waar en wanneer u moet gaan; en dat Zijn tegenwoordigheid bij u moge zijn, om u te behoeden gekwetst te worden door ongeschikt gezelschap, zodat u de geloften vergeet die u in de moeilijke periode van uw leven hebt afgelegd. Ik hoop dat onze laatste beproeving voor ons geheiligd zal zijn, en dat wij tijdens ons leven reden zullen hebben om te zeggen dat God genadig en barmhartig is, zelfs wanneer Hij ons beproeft. Als uw gezondheid volledig hersteld is, laten we dan niet vergeten dat het slechts uitstel is. Wij moeten, vroeg of laat, nog een beproeving meemaken, een laatste aanraking, om een einde te maken aan al onze opvattingen die gebonden zijn aan de duur van dit broze leven. Wat zullen wij gelukkig zijn, als wij, wanneer dat uur aanbreekt, door het geloof in onze Verlosser gereed en in staat zullen worden bevonden om de schrik van de laatste vijand, de dood, te weerstaan en te overwinnen.

Ik hoop en vertrouw erop dat wij nog gespaard zullen worden, zodat wij onze krachten kunnen herwinnen, voordat wij heengaan en niet meer gezien zullen worden. Ik hoop dat, als het de Heere behaagt dat Hij u veilig naar mij toe leidt, en ons een eigen huis geeft, dat we in zekere mate zullen handelen naar onze verplichtingen vanwege zoveel bevrijdingen en reddingen die we hebben mogen meemaken; en dat we zullen leren te vertrouwen op Zijn voorzienigheid, en Hem niet meer beledigen door onze ongelovige angsten. Ik hoop binnen enkele dagen het genoegen te hebben een brief van uw hand te mogen ontvangen. Maar doe geen overhaaste poging. Het is niet nodig om mij gerust te stellen. Want ik ben sinds ik u verliet in staat u toe te vertrouwen aan de zorg van de Heere, met slechts weinig onderbrekingen van bezorgdheid.
Liverpool,
20 augustus 1755