Brieven aan zijn vrouw: Eerste brief

Jon Newton Brieven

MY DEAREST,

Voordat deze brief je bereikt, zal je broer je verteld hebben hoe rustig en kalm hij me achterliet. Inderdaad, ik verbaas me over mezelf. Maar de Heere is mij zeer genadig geweest, en vervult Zijn belofte om mij kracht te geven naar mijn dag. Mijn geest is niet benauwd. Mijn metgezellen in de koets zijn beleefd en aangenaam in hun doen en laten; maar ik was liever alleen geweest; want met God en mijn eigen hart te spreken zou veel aangenamer zijn dan het lege, amusante geklets waarmee ik nu bezig ben.

Ik was vanmorgen in staat om u met veel troost aan te bevelen tot zegen van de Heere. En ik heb de blijde hoop dat Hij u te Zijner tijd zal opwekken; en dat wij weer een gelukkige en dankbare ontmoeting zullen hebben. Laten wij tot dan toe onze plicht vervullen en Hem nabij blijven door nederig gebed en een hernieuwde afhankelijkheid van het bloed van Jezus. Laten wij, terwijl de roede op ons is, de betekenis ervan onderzoeken, en Zijn stem erdoor horen. Laten wij buigen voor Zijn kastijding, en erkennen dat wij tegen Hem hebben gerebelleerd, en dat Hij ons veel minder treft dan onze ongerechtigheden hebben verdiend. Dan kunnen wij er zeker van zijn, dat Hij, hoewel Hij smart veroorzaakt, ontferming zal hebben; en Hij zal ons niet alleen verlossen, maar ons ook laten inzien en zeggen, dat het goed voor ons was dat wij verdrukt waren.

Ik acht het een genade dat u enige verzachting van uw pijn hebt gevonden, en enige tekenen van verbetering, voordat ik u verliet. Maar als ik was weggeroepen in het uur van uw grootste benauwdheid had ik moeten vertrouwen op de goedheid van de Heere, en moeten berusten in Zijn wil. Maar, helaas, hoe zwak is mijn geloof! Ik ben kerngezond en maak me geen zorgen om u. Zeker, ik denk voortdurend aan u, maar mijn vertrouwen in God houdt mij staande. Ik zal trachten u per post te schrijven, maar als iemand mij onderweg passeert, hoop ik dat u niet ongerust zult zijn. De Heere is mijn beschermer en mijn gids.
Towcester,
12 augustus 1755.