Brieven aan – : Vijfde brief

Jon Newton Brieven

DEAR -,

Ik heb u nog een brief beloofd en nu moet ik dit ook doen. Als ik had gezegd: “misschien” of “ik zal het wel eens doen” zou ik u in onzekerheid houden. Maar als ik het beloofd heb, verwacht u dat ik u niet zal teleurstellen, tenzij er iets zou zijn, dat het mij onmogelijk maakt om mij aan mijn woord te houden. Ik dank u dat u het goede van mij denkt en dat u oordeelt dat ik meen wat ik zeg. Ik bid u dat u meer en meer de Heere de eer zou kunnen geven, door zijn belofte te geloven. Hij is immers geen mens die faalt of verandert, of die verhinderd wordt door iets onvoorziens, zodat hij niet kan doen wat hij heeft gezegd. Toch vinden wij het gemakkelijker om op wormen te vertrouwen dan op de God der waarheid. Is dat bij u ook niet zo? Ik kan u verzekeren dat dit bij mij dikwijls zo is. Maar wat een genade dat Zijn wegen hoger zijn dan de onze; hoger dan de hemel is boven de aarde.

Al zijn wij dan dwaas en ongelovig. Hij blijft getrouw; Hij zal Zichzelf niet verloochenen. Ik beveel vooral die belofte van God bij u aan, die zo uitgebreid is dat al onze belangen daarin begrepen zijn; ik bedoel deze: dat alle dingen medewerken moeten ten goede. Hoe moeilijk is het te geloven dat niet alleen die dingen die pijnlijk zijn voor het vlees uiteindelijk moeten medewerken ten goede, maar zelfs die dingen die onze verdorvenheden aan het licht brengen; die ons ontdekken wat er in ons hart is en die ons met schuld en schaamte vervullen. Toch heeft de Heere dat gezegd! Al uw moeiten en beproevingen, alles wat u in uw eigen persoon overkomt of wat anderen u aandoen, zal ten slotte blijken u ten goede te zijn.

Uw vrede is niet afhankelijk van een verandering van omstandigheden, hoe wenselijk dat ook schijnt te zijn, maar dat uw wil gebogen zal worden onder de wil des Heeren en dat u gewillig gemaakt wordt om alles te onderwerpen aan Zijn besturing en leiding. Bid erom, wacht geduldig op Hem en Hij zal het maken. Wees niet verbaasd dat u uzelf arm, hulpeloos en vuil zult gevoelen. Allen die de Heere genade geeft en onderwijst, zullen zich zo gewaarworden. Hoe meer de genade vermeerdert, hoe meer wij zullen ervaren dat wij ons moeten vernederen in onze eigen ogen en dat zal de Zaligmaker en Zijn zaligheid des te dierbaarder voor ons maken. Hij houdt er Zijn eigen wijze methode op na om u te vernederen en te beproeven, en ik weet zeker dat Hij u uiteindelijk wel zal doen.
Ik ben, enz.