Brieven aan mevrouw G: Tweede brief

Jon Newton Brieven

MS,

Hoewel ik vind dat ik over het algemeen tamelijk punctueel ben als ik een brief binnen zes of zeven weken na ontvangst kan beantwoorden, doet het mij wat pijn dat ik die van u niet eerder heb beantwoord. Een geval waarover u geschreven hebt en waar u zo’n belang bij hebt, verdiende onmiddellijke aandacht en toen ik het gelezen had, was ik van plan spoedig te antwoorden. Ik kan nauwelijks een reden van bezigheden aanvoeren, als geldig excuus waarom ik zo lang gewacht heb. Maar onze tijden zijn in Gods hand. Moge Hij mij thans in staat stellen u een antwoord toe te zenden, dat voor u “een woord op zijn tijd” mag blijken te zijn.

Datgene wat u kwelt, is helemaal niet iets uitzonderlijks, hoewel dat voor u zo schijnt, omdat u in uw afgezonderde situatie (zoals u wel zult ervaren) niet veel gelegenheid gehad hebt om de ondervinding van andere christenen te vernemen. De schuld die zo zwaar op uw gemoed drukt, is in feite ook niet uw eigen schuld. Het is een verzoeking geweest, die u door de vijand is opgedrongen en hij zal daarvoor ter verantwoording worden geroepen. Ongetwijfeld is het wel een treurig bewijs van de verdorvenheid van onze natuur dat er in ons iets is wat ons zo gemakkelijk ontvankelijk maakt voor satans inblazingen. Het is ook een bewijs van onze uiterste zwakheid dat wij na de helderste en overtuigendste blijken van de waarheid niet in staat zijn ons vertrouwen vast te houden, als de Heere de satan toestaat ons te ziften en te schudden.

Maar ik kan u verzekeren dat deze veranderingen niet vreemd zijn. Ik heb personen gekend, die nadat zij over het geheel genomen veertig jaar in aangenaamheid met de Heere hebben gewandeld, door zulke aanvallen -waarvan u melding gemaakt hebt- ten einde raad waren en aan het twijfelen geraakt zijn; niet alleen ten aanzien van de echtheid van hun eigen hoop, maar zelfs van de grond en het fundament waarop hun hoop gebouwd was. Als u gehecht gebleven was aan een vrolijk en losbandig leven, zoals u eens geweest schijnt te zijn, of als u tevreden had kunnen zijn met een vorm van godzaligheid, zonder de kracht daarvan, zou u waarschijnlijk een vreemdeling gebleven zijn van deze kwellingen. De satan zou dan zijn listen hebben aangewend op een andere, minder opzienbarende manier, door u in een valse rust te laten indommelen en hij zou voorkómen hebben dat er een gedachte of vermoeden van gevaar in uw binnenste zou zijn opgerezen.

Maar toen hij u niet langer in slavernij kon houden, of u niet kon verleiden terug te keren tot de wereld, heeft hij natuurlijk zijn methode veranderd en u openlijk de oorlog verklaard. U hebt nu een proeve van zijn macht en kwaadaardigheid ondervonden en de Heere, Die u liefhebt, omdat Hij u eerst heeft liefgehad, heeft dit toegelaten; niet om de satan te behagen, maar tot uw nut, om u te vernederen en te beproeven, om u te laten zien wat er in uw hart is en om u ten slotte wel te doen. Deze dingen zijn, als zij tegenwoordig zijn, geen zaak van vreugde, maar van droefheid; maar daarna geven zij van zich een vreedzame vrucht der gerechtigheid (Hebr. 12:11).

Ondertussen is Zijn oog op u gevestigd. Hij heeft aan de mate en de duur van de beproeving paal en perk gesteld. Hij zal u ondersteuning schenken en doet dat nu ook, opdat u niet beproefd zult worden boven hetgeen u dragen kunt. Ik twijfel er niet aan, of uw strijd en verdriet zullen te zijner tijd eindigen in lofprijzing en overwinning. Zij zullen geheiligd worden, om u nog meer te bevestigen in de waarheid.

Ik verblijd mij zeer dat de Heere zo goed geweest is voor uw stervende vader. Hoe wijs en hoe precies van pas was die aangrijpende gebeurtenis om de kracht van die inblazingen te breken, waarmee de vijand van plan was uw geest te overweldigen. Hij kon tegenover zo’n helder en duidelijk getuigenis niet staande houden dat de leer die u hebt omhelsd kunstelijk verdichte fabels zouden zijn. Hij kon op die manier niet vorderen, maar hij is erg vindingrijk. Zijn volgende poging was natuurlijk om schuld op uw consciëntie te leggen, alsof u die gedachten, waaronder u met buitengewone weerzin en pijn leed, zelf had voortgebracht en willens en wetens voedde. Ik zie hier eveneens dat hij voor een tijd daarin slaagde, maar Hij, Die de eerste strik verbroken heeft, zal u ook van deze verlossen.

De duistere, onterende gedachten van God, waar ik op doelde en die bij de natuurstaat behoren, zijn anders dan de gedachten van uw hart jegens Hem. U denkt niet van de Heere dat Hij een harde Meester is, of dat u gelukkiger zou kunnen zijn als u Zijn geboden zou overtreden, in plaats van onderhouden. U verkiest de wereld niet boven Zijn gunst en genade, en denkt niet dat u Hem kunt behagen en uw zonden weer goed kunt maken door gehoorzaamheid in eigen kracht. Deze en dergelijke gedachten zijn die van een natuurlijk hart en geheel tegengesteld aan die van u.

Ik zeg echter eerlijk dat u aan één gedachte toegegeven hebt, wat niet minder onterend is voor de Heere, als ontmoedigend voor uzelf. U hebt gezegd: “Ik durf niet te geloven dat God mij niet als zonde zal toerekenen dat ik gedachten heb toegelaten, die mijn ziel altijd heeft verfoeid en waaraan mijn wil nooit heeft toegegeven”. Ja, u vreest dat zij niet alleen toegerekend zullen worden, maar dat zij onvergeeflijk zijn. Maar hoe kan dat nu mogelijk zijn? Ik wil het immers niet uw ‘gedachten’ noemen, maar uw ‘verzoeking’.

U hebt mij verteld dat u kinderen hebt. Dan zult u gemakkelijk een eenvoudig voorbeeld aanvoelen, dat mij thans te binnen schiet. Laat ik u een geval voorstellen dat wel eens heeft plaats gevonden: een kind van een jaar of drie, vier, zullen we maar zeggen, zal plotseling, terwijl het onbezorgd op enige afstand van zijn huis speelt, gegrepen en meegevoerd worden door een zigeuner. Arm kind, wat zal het verschrikt en overstuur geweest zijn! Mij dunkt, ik hoor het huilen! Denk daarbij aan het zien van die vreemdeling en het geweld dat het kind aangedaan wordt; aan de gedachte aan zijn lieve ouders, het achterlaten van zijn gezellig thuis; aan de angst en onzekerheid van wat het nu zal overkomen. Is het geen wonder dat het niet sterft van angst? Maar zie, er komt hulp opdagen, de zigeuner wordt achtervolgd en het kind wordt teruggebracht.

Welnu, beste mevrouw, laat mij u eens vragen: als dat uw kind was, hoe zou u het ontvangen? Misschien dat u het na de eerste opwinding van vreugde, omdat het kind weer veilig is, geoorloofd vindt het kind wellicht zacht te bestraffen, omdat het de deur uitgegaan is. Maar zou u het kind onterven? Zou u het verstoten? Zou u het weer met uw eigen handen aan de zigeuner overgeven, omdat het een daad van geweld was overkomen, die het kind niet kon tegenhouden; waarvan het een afkeer had en waaraan het nooit had willen toegeven? En wat is toch de tederheid van een moeder, ja, van tienduizend moeders, vergeleken met de tederheid die onze medelijdende Zaligmaker oefent jegens iedere arme ziel die in staat gesteld is tot Hem te vluchten ter zaligheid? Laten wij ons verre houden van Hem te beschuldigen van datgene waartoe wijzelf helemaal niet in staat zijn.

Houd moed, mevrouw, wedersta de duivel en hij zal van u vlieden. Als hij u zou verzoeken iets misdadigs te doen, zou u van die gedachte schrikken en die met afschuw van u werpen. Doe ook zo als hij u verzoekt te twijfelen aan de barmhartigheid en goedheid van de Heere. Maar daarbij dringt hij er met een schijn van nederigheid bij ons op aan en overtuigt ons ervan dat wij er goed aan doen onze onwaardigheid te stellen als een genoegzame tegenwerping tegenover de vele nadrukkelijke beloften van het Woord.

Er staat: “Het bloed van Jezus Christus reinigt van alle zonden”; dat is, dat allerlei soorten zonden om Zijnentwil vergeven worden; dat wie er ook tot Hem komt, die zal Hij geenszins uitwerpen; en dat Hij volkomen kan zalig maken. Geloof Zijn Woord, en satan zal blijken een leugenaar te zijn. Als het kind opzettelijk met de zigeuner was meegegaan, dat ellendige leven zelf gekozen had, geweigerd had naar huis terug te keren, hoewel het daartoe herhaaldelijk en liefdevol was uitgenodigd, dan zou misschien de liefde van zijn ouders op den duur te zwak geweest zijn om zulk een aanhoudende koppigheid nog te vergeven. Maar wij hebben immers allen op deze manier zo met de Heere gehandeld?

Toch, is Hij, als wij willen wederkeren, gewillig om ons met open armen te ontvangen, zonder verwijten te maken (Luk. 15:20 – 22). Al waren onze zonden zo rood als scharlaken en karmozijn, zo geweldig hoog als de bergen en ontelbaar als het zand, zodat de slotsom zou zijn dat de zonde zeer overvloedig geworden is, dan nog is het: “Waar de zonde meerder geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig geweest”. Ik weet, per slot van rekening, dat de Heere de sleutel van de vertroosting in Zijn hand houdt, maar Hij heeft ons wel bevolen, dat we trachten elkander te vertroosten. Ik zou verblijd zijn als ik een middel in Zijn hand mocht zijn om u troost te bereiden. Ik hoop dat ik spoedig van u zal horen en dat u mij dan zult kunnen meedelen dat Hij de vreugde des heils weer aan u heeft gegeven. Zo niet, wacht op Hem en u zult niet tevergeefs wachten.
Ik ben, enz.
Augustus 1776