Brieven aan mevrouw G: Derde brief

Jon Newton Brieven

DEAR MADAM,

Verzoekingen kunnen vergeleken worden met de wind die, als hij ophoudt vanuit één richting te woeden, na een korte stilte zijn geweld steeds weer uit een andere hoek hernieuwt. De Heere heeft de vorige aanvallen van de satan tegen u tot stilstand gebracht, maar nu wordt hem toegestaan om u weer op een andere manier te beproeven. Heb goede moed, mevrouw, wacht op de Heere en de huidige storm zal eveneens op Zijn tijd tot bedaren komen. U hebt een onfeilbare Stuurman en u bent aan boord van een schip waarop de winden en de golven de overhand niet kunnen krijgen. U kunt wel heen en weer geslingerd worden en denken dat u kennelijk in gevaar bent, maar u zult niet zinken, tenzij de beloften en de getrouwheid van God kunnen falen.

Nadat ik uw klacht goed overdacht heb, schijnt het mij toe dat deze hier op neerkomt dat de Heere, hoewel Hij grote dingen voor u gedaan heeft, u nog niet gebracht heeft tot een gemoedsgestalte van afhankelijkheid van Hem en u ook nog niet verlost heeft van de onmogelijkheid die al Zijn kinderen gewaar worden: namelijk, om iets te doen zonder Hem. Maar is dat eigenlijk wel een zaak om over te klagen? Is het niet in elk opzicht beter, meer tot eer van Hem en gepaster, om ons aan onze verplichtingen jegens Hem te herinneren- en uiteindelijk beter voor onze eigen bewaring- dat wij (gelukkig) genoodzaakt worden om dagelijks alles uit Zijn volheid te ontvangen (zoals de Israëlieten het manna ontvingen), in plaats van voorzien te worden met zoiets als een voorraad wijsheid, kracht en goedheid van onszelf?

Adam werd in den beginne voorzien van kracht om staande te blijven, maar omdat veranderlijkheid wezenlijk is voor een schepsel, viel hij al spoedig en heeft alles verloren. Wij die van nature zondaren zijn, worden niet overgegeven aan zo’n gevaarlijk experiment. De Heere heeft Zelf op Zich genomen om ons vast te houden en heeft al de volheid van genade tot onze ondersteuning opgelegd in een Verbondshoofd, Die niet vallen kan. Onze gezegende Zaligmaker zal alles wat nodig is meedelen aan Zijn leden, maar dan op zulk een wijze, dat zij hun behoefte en hun zwakheid zullen gevoelen en van begin tot eind in niets hebben te roemen dan in Zijn wijsheid, medelijden en zorg.

Wij verkeren niet in slechtere omstandigheden dan de apostel Paulus, die, hoewel hij uitmuntte in een christelijke levenswandel en daarin een voorbeeld was, gewaarwerd en dat ook vrijmoedig beleden heeft, dat hij van zichzelf niet bekwaam was één goede gedachte te denken. Hij wenste ook niet anders; hij roemde zelfs in zijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in hem mocht wonen. Ongeloof en duizend kwaden zijn nog in ons hart. Hoewel hun heerschappij ten einde is, zijn ze niet dood en uitgeroeid. De gevolgen ervan zullen meer of minder voelbaar zijn, naarmate het de Heere behaagt meer of minder de werkingen van Zijn genade mee te delen of in te houden. Als die boosheden eronder gehouden worden, zijn wij in onszelf niet beter, want zij worden er niet door ons onder gehouden.

Wij zijn echter wel geneigd op zulke tijden beter van onszelf te denken en daarom behaagt het de Heere bij ogenblikken toe te laten dat wij het verschil waarnemen, opdat wij nooit zullen vergeten hoe zwak en verdorven wij zijn. Wij kunnen die boosheden niet geheel overwinnen, maar het betaamt ons erover vernederd te zijn en wij dienen ertegen te strijden, te worstelen en te bidden. Onze dure plicht is aan Zijn voetbank te knielen en tot Hem te roepen, Die beloofd heeft alle dingen voor ons te vervullen. Waarom worden wij anders strijders genoemd, dan dat wij geroepen worden tot de strijd? En hoe zouden wij kunnen strijden, als er geen vijanden waren, waartegen wij ons moeten verzetten.

De strijders des Heeren zijn er niet enkel om te pronken, om een nietszeggende parade te houden in een uniform en met hun wapens te zwaaien terwijl er alleen vrienden en toeschouwers rond hen staan. Neen, wij moeten op het slagveld staan, wij moeten het hoofd bieden aan de vurige pijlen, wij moeten worstelen met onze vijanden. Dat is de hevigste en vurigste wijze van strijden. Wij kunnen ook niet echt verwachten dat wij wonden ontlopen, maar de bladeren van de boom des levens zijn gegeven tot genezing. De overste Leidsman van onze zaligheid is nabij en leidt ons met zo’n zekerheid voort, dat een lafaard er zelfs moed door zou krijgen en wij uiteindelijk meer dan overwinnaars zullen zijn, door Hem, Die ons heeft liefgehad.

Ik ben geneigd te denken dat sommige gevoelens in uw brieven in feite niet van u zijn, zoals u die zelf aan de Heilige Schrift hebt ontleend, maar dat u die eerder geleend hebt van schrijvers en predikers wier oordeel u, door uw ootmoed, heeft beïnvloed om die u eigen te maken. Ik ben er ten minste zeker van dat de Schrift de conclusie die u trekt, en die u benauwt, niet bevestigt, namelijk dat u, als u een kind van God zou zijn, niet zulke veranderingen en zulke tegenstand zou gevoelen. Als ik een definitie van een christen zou moeten geven, of althans hem in algemene bewoordingen zou moeten omschrijven, weet ik geen tekst die ik eerder zou kiezen als uitgangspunt voor dit onderwerp dan Galaten 5:17.

Een christen heeft edele doelstellingen, waardoor hij zich onderscheidt van de massa der mensen. Zijn grondbeginselen, motieven en begeerten zijn bovennatuurlijk en door de Heere gewerkt. Als hij zou kunnen wat hij wenste, zou er geen geest voor de troon zijn, die hem zou overtreffen in heiligheid, liefde en gehoorzaamheid. Hij zou geheel in de voetstappen van zijn Zaligmaker willen gaan, elk moment willen vullen om in Zijn dienst bezig te zijn en elke ademtocht willen aanwenden om Hem te loven. Dat zou hij willen doen, maar, ach hij kan het niet. Tegenover deze begeerte van zijn hart staat een begeerte, én de werking van een verdorven natuur, die hem bij iedere beweging tegenstaat. Er is hem wel een schoon schrijf voorbeeld voor ogen gesteld; dat bekoort hem ook en hoewel hij niet verwacht dat hij het helemaal kan naschrijven, streeft hij er toch nauwkeurig naar en verlangt hij ernaar om het zo goed mogelijk te kunnen kopiëren. De inwonende zonde en de satan stoten echter voortdurend tegen zijn hand en bederven het werk.

Mevrouw, u kunt geen goed oordeel over uzelf vormen, tenzij u terdege rekening houdt met deze dingen, die niet in het bijzonder voor u gelden, maar voor allen die geestelijk kunnen waarnemen. Die zaken zijn inderdaad een onafscheidelijk aanhangsel van onze sterfelijke staat. Als dat niet zo was, waarom zouden dan degenen die het meest geestelijk gezind zijn, en de meeste genade hebben, zo geneigd zijn van zichzelf te belijden dat zij verdorven en onwaardig zijn? Een uitmuntend deel van onze heiligmaking is een gevoel van schaamte en verootmoediging over die boosheden die alleen bekend zijn bij onszelf en bij Hem Die de harten doorzoekt, gepaard met een rusten in Jezus, Die van God geworden is tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en verlossing. Ik durf u te verzekeren, ofschoon u een bestendiger vrede zult bezitten naarmate de Heere u in staat zal stellen met meer eenvoudigheid te leven op het bloed, de gerechtigheid en de genade van de Middelaar, dat u nooit een beter oordeel over u zelf zult krijgen dan u nu hebt. Hoe nauwer u aan Hem verbonden wordt, hoe vlugger u het besef zult hebben Hem voortdurend nodig te hebben. Daarbij zal uw bewondering van Zijn macht, liefde en medelijden eveneens van jaar tot jaar toenemen.

Ik zou verder willen opmerken dat onze geestelijke kwalen niet weinig beïnvloed worden door onze natuurlijke gesteldheid. Aangezien u een schrijfster bent over wie ik mij slechts een denkbeeld kan vormen, kan ik, wat deze zaak betreft, alleen maar gissen hoe dat bij u is. Als u een zwak gestel hebt en uw zenuwgestel heel kwetsbaar en teer is, zou ik waarschijnlijk een deel van uw vrees toeschrijven aan die oorzaak. Het is een diepzinnig onderwerp en ik wil daar niet verder op ingaan, maar volgens hetgeen ik opgemerkt heb, schijnen mensen met zo’n gestel meer aan de grenzen van de onzichtbare wereld te vertoeven, als ik het zo eens zeggen mag, en schijnen ze ontvankelijker voor indrukken daarvandaan te zijn dan anderen. Die kwaal, die wij, bij gebrek aan een betere naam, ‘neerslachtigheid van geest’ noemen, kan de vijand wel eens wat bijzondere voordelen en gelegenheden verschaffen om u te kwellen. De geest ontvangt dan de dingen als door een gekleurd glas, dat er een donker en somber aanzien aan geeft, en ik geloof dat de satan meer invloed en behendigheid heeft dan wij ons realiseren om dat glas te hanteren. Al is dat niet ten allen tijde het geval, het kan wel nu en dan zo zijn, bij ziekte en andere omstandigheden.

U hebt mij verteld dat u onlangs ziek bent geweest. Tezamen met uw huidige omstandigheden en het vooruitzicht van het naderend einde zou dit wel eens een dergelijke uitwerking gehad kunnen hebben, zoals ik aangegeven heb. U zult u misschien beschuldigen vanwege hetgeen voortgekomen is uit uw ziekte, waarbij u geheel lijdelijk bent geweest en wat eigenlijk niet zondiger is dan hoofdpijn of duizend andere natuurlijke aandoeningen waar het vlees aan onderhevig is. De vijand kan er geen voordeel aan behalen, tenzij de Heere het toelaat, en Hij laat niets anders toe dan hetgeen Hij zo bestuurt dat uiteindelijk voor u nog meer tot nut zal zijn. De Heere verblijdt zich als het u wel gaat en u moet geen uur langer bezwaard zijn dan voor u nodig is. Niettegenstaande uw vrees, heb ik goede hoop dat Hij Die, volgens u, in zes benauwdheden u heeft geholpen, ook in de zevende u zal verschijnen; en dat u niet zult sterven, maar leven, en de werken des Heeren zult vertellen, en tot een getuige van Zijn lof zult gemaakt worden, omdat Hij uw treurigheid in vrolijkheid heeft veranderd.
Ik ben, enz.
Juni 1777