Brieven aan mevrouw D: Tweede brief

Jon Newton Brieven

DEAR MADAM!

Zal ik u nog eens iets raadselachtigs meedelen, en wel dat ik, niettegenstaande de vele veranderingen die ik doormaak, altijd dezelfde ben? Dit is echt de waarheid: “In mij, dat is in mijn vlees, woont geen goed”. Als mijn geest in mij soms enigermate nederig, levendig en afhankelijk is, is dat niet omdat ik beter geworden ben dan ik was, maar dat het de Heere behaagt Zijn gezegende kracht in mijn zwakheid te openbaren. Als mijn hart dor en ongevoelig is, als ik er geen genoegen in vind om op de Heere te wachten, is dat niet omdat ik slechter ben dan ik voor die tijd was, maar alleen omdat de Heere het beter acht dat ik zou voelen en ook zeggen wat voor een arm schepsel ik ben. Mijn hart was eens als een donkere kerker; buiten bereik van het daglicht en altijd in het duister. Het heeft de Heere door Zijn genade behaagd van deze kerker een kamer te maken; door er ramen in te zetten. Ik hoef u echter niet te vertellen dat ramen, hoewel zij het daglicht de kamer binnenlaten, geen licht kunnen verschaffen als het er niet is. Als de dag voorbij is, zijn ramen van weinig nut. Als de dag weer aanbreekt, wordt de kamer er weer door verlicht.

Ik kan het licht dat ik gisteren had vandaag dus niet vasthouden, tenzij de Heere het laat schijnen. Hoewel Zijn tegenwoordigheid een heerlijk verschil maakt, heb ik in mijzelf op de ene tijd niets meer om op te roemen dan op de andere tijd, maar als het donker is, heb ik toch grond om te verwachten dat het weer licht wordt. Als Hij met mij is, gaat alles naar wens; als Hij Zich terugtrekt ervaar ik dat ik niets kan zonder Hem. Ik hoef niet verbaasd te zijn dat ik dit zo ervaar, want dat kan natuurlijk niet anders als ik ben wat ik belijd, namelijk: een arm, hulpeloos, zondig schepsel in mijzelf. Ik hoef ook niet al te ontmoedigd te zijn, aangezien de Heere beloofd heeft diegenen te helpen die zonder Hem niets kunnen, en niet degenen die een aardige uitvlucht kunnen bedenken om zichzelf te helpen. Door genade trekt Hij Zich niet zo geheel terug dat Hij mij zonder kracht of wil achterlaat om te roepen om Zijn terugkomst. Ik hoop dat Hij ten allen tijde in mij een begeerte onderhoudt naar Zijn tegenwoordigheid. Het betaamt mij toch om met lijdzaamheid op Hem te wachten en mij te voeden met Zijn getrouwheid, als ik niets anders dan het kwade in mijzelf gewaarword.

In uw brief schrijft u, nadat u geklaagd hebt over uw onbekwaamheid, dat u met velen spreekt die dat anders gewaarworden; die wanneer zij maar willen naar de Vader der barmhartigheid kunnen gaan, met een kinderlijk vertrouwen, en die nooit terugkeren zonder antwoord; een antwoord van vrede. Als zij daarmee alleen bedoelen dat zij gezegend zijn met een vast geloof en dat zij kunnen zien dat de Heere altijd Dezelfde is; dat hun recht tot de weldaden van het verbond geenszins wordt beïnvloed door hun onwaardigheid, dan zou ik wensen dat u en ik meer ondervinding zouden hebben van datzelfde voorrecht. Over het algemeen helpt de Heere mij om dat te mogen bereiken, al vind ik het soms moeilijk om mijn vertrouwen vast te houden. Maar als zij louter spreken over hun gestalten, dat zij niet alleen iets hebben wat hen onder hun veranderingen ondersteunt, maar geen veranderingen gewaarworden waarbij zulke ondersteuningen nodig zijn, dan moet ik zeggen dat het maar goed is dat zij niet hier wonen.

Als dat zo was, zouden zij niet weten hoe zij medelijden met ons moesten hebben, en wij zouden niet weten hoe wij hen zouden kunnen begrijpen. Wij hebben hier een vijand die tegen onze vrede strijdt en ik ken niemand onder ons, of hij zucht dikwijls onder deze strijd. Ik raad u dat u zich niet van streek moet laten brengen door hetgeen u hoort over de ondervinding van andere mensen; blijf dichtbij het geschreven Woord, waarin u veel zult vinden om u te bemoedigen, al ervaart u dikwijls dat u vermoeid en belast bent. Wat mij betreft, ik acht die weg het beste, die door de voetstappen van de schapen is gebaand, al is die niet altijd effen en bestrooid met rozen. Op onze weg treffen wij enkele heuvels, vanwaar wij met blijdschap om ons heen kunnen zien, maar wij treffen ook diepe dalen aan, en zelden reizen wij lang over effen grond.
4 Mei 1773