Brieven aan een edelman: Zesentwintigste brief

Jon Newton Brieven

MY LORD!

Ik ben uw Lordschap een heel boek papier aan brieven schuldig, voor het voorrecht en het genoegen van uw laatste bezoek. En daarom zal ik beginnen en vervolgen. Onlangs heb ik Robertsons Geschiedenis van Karel de Vijfde gelezen, welke ik, gelijk de meeste andere Geschiedenissen, aanmerk als een uitlegging van de plaatsen van Gods Woord, waarin ons de verdorvenheid geleerd wordt van de mens, de bedrieglijkheid van het hart, de verderfelijke uitwerkselen van de zonde en het almachtig, hoewel verborgen bestuur van de Goddelijke Voorzienigheid, die met een nimmer falende hand al de oogmerken en bedrijven van mensen regeert, bepaalt, en richt, ter uitvoering van haar hoge doeleinden, hetzij tot straffen hetzij tot zegen. Zonder het kluwen en het licht dat Gods Woord ons aan de hand geeft, vertoont ons de Geschiedenis van het mensdom, in al de eeuwen, niets anders dan een doolhof, een chaos; een reeks van boosheden en ellende, waarvoor wij beven moeten, en een verward rumoer van tegen elkander inlopende gevallen, zo geheel ontbloot van bestendigheid, verband, of orde, als de wolken die boven ons hoofd heen drijven. Vanuit dit gezichtspunt, zou men op al de historiën welke ik ooit gezien heb, schrijven mogen; Delirant Reges, plectuntur Archivi; dat is: De vorsten misdoen, en de onderdanen lijden de straf.

Maar als men de sleutel van de heilige Schrift in de hand neemt, dan is alles duidelijk en leerrijk. Dan zie ik, dat er waarlijk een God is, die op aarde regeert, die verachting uitstort over de prinsen, de wijzen vangt in hun arglistigheid, de toorn en hoogmoed van de mens bestuurt om zijn eigen oogmerken daar te stellen; terwijl Hij alles verhindert wat tot dat einde niet nodig is, soms verijdeld Hij de best beraamde ondernemingen door schijnbaar zeer geringe middelen, en op het aller onverwachtst; en op andere tijden wederom de gewichtigste gebeurtenissen tot stand brengende, door werktuigen en omstandigheden die bij de eerste oogopslag veel te zwak en verachtelijk schenen, om opgemerkt te worden. Graag zag ik, dat een schrijver van die bekwaamheden als de heer Robertson, ons een historie gaf volgens dit plan; maar zijn aanmerkingen van deze aard, zijn naar mijn gedachten te algemeen, te koel, en te weinig.

Wat een ijdele schim vervolgen de grote mannen van deze wereld terwijl zij de vrede van het mensdom verstoren, en in hun leeftijd misschien honderdduizenden ombrengen, om een schaduw van bewind te voeren over afgelegen volken, die zij met geen anderen invloed kunnen bereiken dan door onderdrukking en verwoesting! Maar wanneer wij diegenen, welke aan hun staatzucht worden opgeofferd, aanmerken als rechtvaardig lijdend om hun zonden, dan vertonen zich de helden en overwinnaars in hun ware licht, en verdienen slechts in een rang geplaatst te worden met aardbevingen, pest en hongersnood, als werktuigen van de Goddelijke wraak. Zoveel zorgen, zoveel bemoeienissen, zoveel onheil om het denkbeeld te ondersteunen dat een worm van zijn eigen grootheid heeft opgevat, bewijst dat de mens van nature niet alleen bedorven, maar geheel verdwaasd is. Vergun mij, mijn gedachten beter uit te drukken met de woorden van een beroemd Franse schrijver:

Een grote is in zijn denkbeeld niet één enkel mens; hij is een mens omringd van al degenen die hem toebehoren, en beeldt zich in, zoveel armen te hebben als die allen tezamen, omdat hij er over beschikt, en ze beweegt. Een veldheer maakt zich altijd een voorstelling van zichzelf, als omringd van zijn soldaten. Aldus tracht elk zo groot een ruimte in zijn eigen verbeelding te beslaan, als hij bij mogelijkheid doen kan; en men jaagt naar bevordering, en verhoogt zich in de wereld, alleen om het denkbeeld dat ieder van zichzelf vormt te vergroten. Ziedaar het doel van al de staatzuchtige ondernemingen der mensen! Alexander en Caesar hadden geen ander oogmerk in al hun veldslagen, dan dit. En vraagt men, waarom de grote heer onlangs honderdduizend mensen voor Candia deed omkomen, men kan geruste antwoorden, dat het alleenlijk was, om bij het denkbeeld dat hij inwendig van zichzelf had, de erenaam van overwinnaar toe te voegen.

Hoe vreselijk is het lot van hen, die in zo’n waan leven en sterven en ellenden en rampen over hun medeschepselen hebben opgehoopt, met het oogmerk om zich in die waan te sterken! Wellicht worden zij, bij hun overgang in de andere wereld, door een drom van geesten ingehaald met een beschimpende taal, gelijk aan die, welke wij lezen in de verheven triomfzang van de Profeet, over de koning van Babel, Jes. 14 : 5-17. Hic est, quem Fuga, quem Pavor Praecessit? hic, quem terricolis gravem Strages secuta est, Vastitas que? hic Attoniti spoliator orbis? Doch schoon de uitwerkselen van dit beginsel van eigenwaan uitgebreider en rampspoediger zijn, naar gelang zij die er door beheerst worden, in meer verheven stand zijn geplaatst; toch is het grondbeginsel zelf zeer diep in ieder hart geworteld, en blijft het de drijfveer van al de bedrijven, totdat de genade een nieuw grondbeginsel instort, en het eigen Ik, als Dagon, neervalt voor de Heere der heirscharen. Groot en klein zijn slechts betrekkelijke woorden; en de driften van misnoegen, hoogmoed, en afgunst, welke, in de boezem van een heerser, zich door de helft van Europa doen gevoelen, werken met een gelijke kracht in het hart van een boer, hoewel haar het gebrek aan voorwerpen en gelegenheid haar uitwerkselen binnen nauwe grenzen zijn bepaald. Wij zijn vervallen tot een staat van grove afgoderij, en de afgod die wij aanbidden, is het eigen Ik.
Ik ben, enz.
Juli, 1777