Brieven aan een edelman: Vijftiende brief

Jon Newton Brieven

MY LORD!

Ik heb een hele tijd nagedacht over een onderwerp, en uiteindelijk begin ik zonder een onderwerp, in de hoop dat (zoals vaak is gebeurd) terwijl ik een regel schrijf, er iets in me opkomt om een andere te vullen. Ik heb weliswaar een onuitputtelijke bron bij de hand, maar het is voor mij vaak als een prijs in de hand van een dwaas, ik wens daarin vaardigheid om het te verbeteren. O, wat zou ik graag een warme, geschikte, passende gedachtengang hebben die mijn hart zou verlevendigen, en die uw aandacht niet onwaardig zou zijn! Ik denk dat de dichters slechts een kille troost hebben, wanneer zij een legendarische muze aanroepen; maar wij hebben het recht om op te zien naar de invloed van de Heilige Geest, Die ons kracht geeft, en beloofd heeft in ons te werken. Wat een troost, wat een eer is dit, dat wormen de vrijheid hebben om op te zien naar God! En dat het Hem, de hoge en heilige, die de eeuwigheid bewoont, behaagt om op ons neer te zien, onze vrede te bewaren, in onze behoeften te voorzien, ons te leiden met Zijn oog, en ons te bezielen met wijsheid en genade die passen bij onze gelegenheden!

Zij die beweren iets van deze omgang te weten en er op te vertrouwen, worden door de wereld voor enthousiastelingen aangezien, die niet weten wat zij bedoelen, of misschien voor huichelaars, die iets beweren wat zij niet hebben, om een of ander oneerlijk plan te verhullen. Maar we hebben reden om hun verwijten met geduld te verdragen. Als de vrek zou zeggen, Populus me sibilat, at mihi plaudo Ipse domi, simul ac nummos contemplor in area. Welnu, dan kan de gelovige zeggen: Laat ze maar lachen, laat ze maar razen, laat ze me maar voor gek verklaren als ik op straat loop; als ik maar de Bijbel ter hand neem, of in gedachten de inventaris opmaak van de zegeningen waarmee de Heere mij heeft verrijkt, dan heb ik voldoende genoegdoening. Jezus is de mijne; in Hem heb ik wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en verlossing, een deelgenootschap in alle beloften en in alle volmaaktheden Gods; Hij zal mij, zolang ik hier ben, leiden door Zijn raad, mij steunen door Zijn kracht, mij troosten met Zijn tegenwoordigheid, en daarna, wanneer vlees en hart bezwijken, zal Hij mij opnemen tot Zijn heerlijkheid.

Laat hen zeggen wat zij willen, zij zullen ons niet betwisten of uitlachen wegens onze geestelijke vermogens. Al zouden alle blinden in het koninkrijk mij proberen wijs te maken dat de zon niet helder is, of dat de regenboog geen kleuren heeft, dan zou ik toch mijn eigen ogen geloven. Ik heb ze beide gezien; zij niet. Ik kan hun niet bewijzen wat ik beweer, omdat zij geen zicht hebben, hetgeen noodzakelijk is; toch brengen hun uitzonderingen bij mij geen onzekerheid teweeg: als ze niet blind waren zouden ze niet kunnen twijfelen. Evenzo hebben zij die door God zijn onderwezen, die hebben gesmaakt dat de Heere barmhartig is, een proefondervindelijke waarneming van de waarheid, die hen tegen alle drogredenen van ongelovigen bestand maakt. Ik ben ervan overtuigd, dat wij hier veel gewone mensen hebben, die, als een wijs man van de wereld zou suggereren dat de Bijbel een menselijke uitvinding is, totaal niet in staat zouden zijn hem te antwoorden met argumenten, ontleend aan uitwendige bewijzen; toch hebben zij zulke uitwerkingen gevonden in dit gezegende Boek, dat zij niet meer ontroerd zullen zijn door de aantijging dan wanneer hun gezegd zou worden dat een sluw man, of een stel mannen, de zon heeft uitgevonden, en haar in het uitspansel heeft geplaatst.

Als dus een wijze Sociniaan hen zou zeggen dat de Zaligmaker slechts een mens was zoals zijzelf, zouden zij net zo’n mening hebben over zijn goddelijke bekwaamheid, als een filosoof over de bekwaamheid van een clown in de astronomie die zou beweren dat de zon niet groter was dan een wiel van een wagen. Het blijft dus een waarheid, in weerwil van alle tegenwerpingen van de onwetenden, dat de Heilige Geest de harten van alle kinderen Gods beïnvloedt, of, met andere woorden, dat zij worden toegerust, niet met nieuwe openbaringen, maar met genade en wijsheid om de grote dingen die reeds in de Schriften zijn geopenbaard, te begrijpen, toe te passen en te voeden, zonder welke de Schriften even nutteloos zijn als een bril voor de blinden. Ware het niet zo, wanneer wij de armoede, onwetendheid en verdorvenheid van onze harten leren kennen, dan zouden wij in volslagen wanhoop moeten neerzitten, in de wetenschap dat wij nooit meer in staat zullen zijn om een goede gedachte te denken, om ook maar één oprechte smeekbede te doen in het gebed, of om ook maar één veilige stap te doen op het pad des levens. Maar nu kunnen wij tevreden zijn met onze eigenlijke zwakheid, omdat de kracht en de Geest van Christus op ons rusten. En terwijl wij bewaard worden in een eenvoudige afhankelijkheid van deze hulp, hoewel wij uit onszelf niets kunnen doen, zullen wij een bekwaamheid vinden om alles te doen wat onze omstandigheden en plicht vereisen.

Wat is zwakker dan een worm? Maar de wormen des Heeren zullen in Zijn kracht de bergen verpletteren, en de heuvelen tot kaf maken. Dit leven van geloof, dit leven en handelen door een kracht boven de onze, is een onverklaarbaar mysterie, totdat de ervaring het duidelijk maakt. Ik heb mij dikwijls verwonderd over het feit dat Paulus bij sommige mensen zoveel bijval heeft gekregen, dat hij bij hen doorgaat voor een man met verstand; want het grootste deel van zijn geschriften moet toch wel tot in de laatste graad absurd en onbegrijpelijk zijn volgens hun principes. Hoeveel tegenstrijdigheden moeten zij bijvoorbeeld niet vinden, als zij enige aandacht schenken aan wat zij lezen in die ene passage, Gal. 2:20: Ik ben met Christus gekruisigd; en niet meer ik leef, maar Christus leeft in mij; en voor zover ik nu in het vlees leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God, Die mij heeft liefgehad en Zichzelf voor mij heeft overgegeven.

En zoals gelovigen aldus geïnspireerd worden door de Heilige Geest, die hen voorziet van verlangens, motieven en bekwaamheden, om te doen wat overeenkomt met Zijn wil; zo begrijp ik, dat zij die zonder God in de wereld leven, en die de apostel omschrijft als mensen zonder de Geest, in meer of mindere mate ad captum recipientis zijn, wat ik zwarte inspiratie noem. Nadat ik zo goed mogelijk rekening heb gehouden met zowel de omvang van het menselijk vernuft als het betreurenswaardige kwaad van het menselijk hart, kan ik niet veronderstellen dat de scherpzinnigheid, waar sommigen zo trots op zijn, echt van henzelf is. Misschien zou iemand als Voltaire niet geschreven hebben, noch zoveel gelezen of bewonderd zijn, als hij niet geholpen werd door een beter iemand. Satan is altijd nabij als het hart bereid is hem te ontvangen; en wanneer de Heere Zich terugtrekt zodat de zondaar met nog meer ijver zal zondigen, omdat hij door de boze zal worden bijgestaan in zijn godslastering, kwaadsprekerij en leugenachtigheid, die hij anders misschien niet zou hebben kunnen bewerkstelligen.

Daarom verwondert het mij niet, dat zij die knap en slim zijn, de lachlust opwekken, en met applaus worden ontvangen door hen die aan hen gelijkgezind zijn. Maar tenzij het de Heere behaagt hun berouw te schenken, (hoewel het te vrezen is dat sommigen van hen door rechtvaardigheid een verhard hart hebben) hoeveel beter zou het voor hen geweest zijn als zij geboren waren als zwakzinnigen of krankzinnigen, dan te worden onderscheiden als de gewillige, ijverige en succesvolle werktuigen van de machten der duisternis, in het bedriegen, verdraaien en verderven van de zielen der mensen! Helaas, wat zijn eigenschappen en talenten, of enig onderscheid dat voorrang geeft in het leven, tenzij ze geheiligd zijn door de genade van God, en gericht op de vervulling van Zijn wil en heerlijkheid! De uitdrukking “Bind ze in bundels en verbrand ze” heeft mij doen denken dat de bedriegers en de bedrogen personen, zij die hun gaven of invloed hebben misbruikt om anderen tot zonde aan te sporen, en zij die door hun toedoen zijn omgekomen, in een andere wereld een bijzondere en onafscheidelijke relatie mogen hebben en een eeuwigheid mogen doorbrengen met vruchteloze klaagzangen over het feit dat zij in deze wereld ooit met elkaar in contact kwamen.

My lord, ik twijfel er niet aan dat u de kracht van die zin inziet,
Oh, dankzij genade, ben ik zo veel verschuldigd! Als de Heere u niet voor Zichzelf had afgezonderd, zouden uw rang, uw bekwaamheden, uw invloed, wat u nu vooral waardeert omdat het uw mogelijkheden om nuttig te zijn vergroot, misschien, nee, zeker, in het tegenovergestelde vaarwater terecht zijn gekomen.
Ik ben, enz.
20 April 1774