Brieven aan een edelman: Vierentwintiste brief

Jon Newton Brieven

MY LORD!

Zonder enige inleiding zal ik thans uw Lordschap enige weinige gedachten meedelen, over de betekenis van een naam, welke allereerst te Antiochië gegeven werd; met andere woorden, wat het zegt, Christen te wezen. Welke uitwerkselen men — behoudens de verschuldigde toegevenheid aan de onvermijdelijke zwakheden, die de tegenwoordige staat van sterfelijkheid vergezellen — verwachten mag van een ware en ondervindelijke kennis van het Evangelie. Ik wil niet beweren, dat niemand een christen is, die niet volkomen beantwoordt aan het karakter hetwelk ik voor heb in deze brief uit te beelden — want dan vrees ik, dat velen, (zowel als mijzelf), van de lijst der christenen zou moeten uitmonsteren, maar alleen beschouwen, waarnaar de heilige Schrift ons aanmoedigt te jagen, als den prijs onzer hoge roeping in dit leven. Het wordt algemeen erkend en beklaagd, dat wij al te zeer geneigd zijn om te leven beneden onze voorrechten, en stil te staan, aleer wij bereikt hebben hetgeen de Geest en de beloften van het Evangelie ons als verkrijgbaar voorstellen. De zo zeer geprezen dichtregel van Pope: An honest man ’s the noblest work of God! mag als waarheid aangenomen worden, wanneer men hem recht verklaart.

Een christen is het edelste werk van God in deze zichtbare wereld, en draagt veel luisterrijker merken van zijn heerlijkheid en goedheid, dan de zon in het uitspansel; en niemand dan een christen, is in de nauwste en eigenlijke zin een eerlijk man. Alle andere mensen leven te veel onder de macht van het eigen Ik, dan dat zij in het algemeen aan anderen doen zouden, hetgeen zij wilden dat anderen hun deden; en niets, dan een bestendig gedrag volgens deze grondregel, verdient de naam van eerlijkheid. De Christen is een nieuw schepsel, van omhoog geboren en geleerd. Hij is overtuigd geworden van zijn schuld en ellendigheid als zondaar; hij heeft de toevlucht genomen tot de hoop die hem is voorgesteld; en heeft de Zoon aanschouwd en in Hem geloofd. Zijn natuurlijke vooroordelen tegen de heerlijkheid en het vrijgunstige van Gods Verlossing, zijn door een almachtige kracht overwonnenen gedempt; hij heeft de Geliefde aangenomen, en is bij God aangenaam geworden in Hem. Nu kent hij de Heere; hij heeft de verwarde, onrechtmatige en ontroostelijke begrippen, welke hij weleer van God vormde, afgelegd, en beschouwt Hem in Christus, die de Weg, de Waarheid en het Leven is, de enige deur, door welke wij tot een ware, het gemoed voldoende kennis van God, of gemeenschap met Hem, kunnen geraken. Hij beschouwt God in Christus verzoend, als enen Vader, enen Zaligmaker, enen Vriend, die hem al zijne zonden genadiglijk vergeven, en hem de Geest der aanneming tot kinderen geschonken heeft. Hij is nu niet langer een dienstknecht, veel minder een vreemde, maar een zoon; en een zoon zijnde, ook reeds een deelgenoot van al de beloften; heeft toegang tot de genadetroon, en is een zeker erf-wachter van de eeuwige heerlijkheid.

Het Evangelie is bestemd, om ons niet slechts een mogelijkheid of waarschijnlijkheid, maar verzekerdheid te geven, beide van onze aanneming in de Goddelijke gunst, en van onze volharding, totdat de dood door het leven zal verslonden worden. En hoewel velen ten dezen aanzien in gedurige twijfel en treurige bekommering leven, en schoon wellicht allen nu en dan zo gesteld zijn, er zijn er echter, die kunnen zeggen: Wij weten dat wij uit God zijn! en Ene derhalve standvastig en onbeweeglijk zijn in het werk van de Heere, vertrouwende dat hun arbeid niet ijdel zal zijn, maar dat zij, uitwonende uit het lichaam, bij de Heere zullen inwonen. Dit is de staat van een gevorderd, geoefend christen, die door de Goddelijke genade het christendom tot de hoofdbezigheid van zijn leven leerde stellen, en daardoor krachtig geworden is in de Heere en in de sterkte Zijner macht. Eenieder, die deze hope op Christus heeft, reinigt zich zelve, gelijk Hij rein is. — Ik wilde nu trachten ee schets te tekenen van de gemoedsgesteldheid van een christen, gegrond op deze beginselen en op die hope, zoals zij zich werkzaam betoont in drie voorname betrekkingen, jegens God, hemzelf en zijn medeschepselen.

De gemoedsgesteldheid van een christen jegens God, betoont zich in ootmoed. — Hij heeft in Gethsémané en op Golgotha zulk een gevoel van de boosheid van de zonde, en van Gods heiligheid, gepaard aan zijn gadeloze liefde tot zondaren, verkregen, dat zijn hart er diep van doordrongen is. Hij gedenkt met smart aan de staat van weerspannigheid en vijandschap, waarin hij weleer leefde, tegen deze heilige en goede God; en hij heeft een levendige gewaarwording van de smetten en gebreken, welke nog steeds zijn beste plichtsbetrachtingen bezoedelen. Zijn mond is derhalve gestopt voor roemen, hij is verachtelijk in eigen oog, en vervuld met verwondering, dat de Heere zulk een zondaar wil bezoeken met zulk een heil! Hij ziet zó groot een onevenredigheid tussen de verplichtingen onder welke hij ligt aan de genade, en de wijze waarop hij eraan beantwoordt, dat hij gewillig is, en zich gedrongen gevoelt, om zonder geveinsdheid de taal van de Apostel over te nemen, en zichzelf voor de minste van al de heiligen te erkennen. En daar hij zijn eigen hart kent, terwijl hij dat van anderen slechts van buiten ziet, kan hij niet lichtelijk geloven, dat er één begenadigd mens op de gehele aardbodem zó zwak, zó onvruchtbaar in het goede, en zó onwaardig is als hij.

Ofschoon laag gevoelende, is hij echter niet moedeloos; want hij geniet vrede. De waardigheid, de ambten, het bloed, de gerechtigheid, de getrouwheid en de ontferming van de Verlosser, op Wie hij hoopt, vertrouwt en leeft, en Die hem wijsheid, gerechtigheid, heiligmaking en verlossing is, zijn volkomen gepast naar al zijn behoeften en wensen, verschaffen hem antwoord op alle tegenbedenkingen, en geven hem geen minder grond van vrijmoedigheid tot God, dan of ‘hij zo onzondig was als een Engel. Want hij ziet, dat hoewel de zonde in hem overvloedig is geweest, de genade in Jezus veel meer overvloedig is geworden. Ten aanzien van het verleden, zijn alle dingen nieuw geworden; met opzicht tot het tegenwoordige en toekomende, leunt hij op een Alvermogende arm, en vertrouwt op het Woord en de Macht, door welke hemel en aarde gemaakt zijn, en in stand worden gehouden. Hoewel hij zich de aller geringste weldaad ten eenenmale onwaardig acht, durft hij nochtans de grootste zegeningen, welke God mededelen kan, te vragen en te verwachten. En daar hij in de kennis en liefde van Christus geworteld en gegrond is, is zijn vrede bestendig, en wordt dus niet licht verstoord, noch door de veranderingen van zijn eigen gemoedsgestalten, noch door de verscheidenheid van Gods bestellingen omtrent hem in dit leven.

Daar hij dus laag van zichzelf denkt, en zulk een ziel verrukken den vrede en zalige hope geniet; hoe kan het anders zijn, of zijn geest moet liefde ademen jegens zijn God en Zaligmaker? Het is inderdaad de volmaaktheid van zijn karakter en van zijn geluk, dat zijn ziel door liefde aan het hoogste Goed verknocht is. De liefde tot Christus is de vreugd van zijn hart, en de drijfveer van zijn gehoorzaamheid. Mag hij de nabijheid van zijn Verlossers genieten, dan vindt hij de hemel reeds aanvankelijk hier op aarde; maar zonder Hem, zou al het heerlijke van de staat des hemels hem niet voldoen. De voortreffelijkheid van Christus, Zijn liefde tot zondaren, in het bijzonder Zijn liefde in zijn sterven voor hen; Zijn liefde tot hem, waardoor Hij hem zocht en zaligde, daar hij verloren was, hem volkomen wilde zaligen, maar ik moet ophouden.

Uw Lordschap kan zal het beter begrijpen dan ik het beschrijven kan, hoe en waarom de Heere Jezus dierbaar is aan het hart, dat Hem kent. Dat gedeelte van het leven van een christen, hetwelk niet besteed wordt in dadelijk zijnen Heere te dienen, wordt voornamelijk doorgebracht in het zoeken en onderhouden van gemeenschapsoefening met Hem. Hiertoe buigt hij zich voor de genadetroon, onderzoekt het Woord der genade, en neemt de instellingen waar, onder welke de Heere beloofd heeft zijn volk te bezoeken. Dit zijn zijn gouden uren; en wanneer hij hier in bezig is — hoe arm, hoe gering is dan alles wat de wereld groot en gewichtig vindt, in zijn ogen! Ja, hij tracht met zijn hart gemeenschap te oefenen met zijn Beminde, ook in zijn drukste bezigheden; en zover Hem dit mag gelukken, verlicht het al zijn arbeid, en verzoet het al zijn leed.

En wanneer hij geen gemeenschap houdt met zijn Heere, noch voor Hem werkt, dan rekent hij zijn tijd verloren, en isbeschaamd en bedroefd. De oprechtheid van zijn liefde openbaart zich in onderwerping. Deze is tweeërlei; en beide zijn ze volstrekt, en zonder uitzondering. Hij onderwerpt zich aan ’s Heeren geopenbaarde wil, als hem bekend gemaakt door zijn gebod en door Zijn Eigen voorbeeld. Hij zoekt in de voetstappen zijns Verlossers te treden, en al Zijn bevelen, zonder uitbeding en zonder aarzelen, gemoedelijk in acht te nemen. Hij onderwerpt zich ook aan Zijn voorzienig bestuur. Hij bukt voor Zijn opperste vrijmacht, en berust in Zijn wijsheid; hij weet, dat hij geen recht heeft om ergens over te klagen, dewijl hij een zondaar is, en hij vindt er geen reden toe, omdat hij verzekerd is, dat de Heere alles goed doet.

Hierom is zijn onderwerping niet gedwongen, maar ze is een daad van toebetrouwen. Hij weet, dat hij even onbekwaam als onwaardig is, om voor zichzelf te kiezen, en daarom verblijdt hij zich, dat de Heere al zijn belangen voor Zijn rekening heeft genomen; en als hij gedwongen werd, om een keuze voor zichzelf te doen, dan zou hij alleen kiezen, dat al zijn lotgevallen in die hand mochten blijven, waaraan hij ze reeds bevolen heeft. En zo oordeelt hij ten aanzien van openbare, zowel als van zijn eigen bijzondere zaken. Hij kan geen onverschillig aanschouwer zijn van de nationale zonden, noch zonder ijzing gedenken aan de welverdiende gevolgen ervan; hij voelt, hij beeft schier voor anderen. Maar hijzelf woont onder de schaduw van de Almachtige, in een schuilplaats, welke niet te overmeesteren is; en derhalve, al zag hij de aarde op haar grondvesten geschud, en de bergen geworpen in het midden der zee, nog zou zijn hart niet grotelijks bewogen worden, want God is zijn toevlucht. De Heere regeert. Hij ziet hoe de hand van zijn Zaligmaker elke donkere omstandigheid bestuurt, en over alles beschikt, ter vervulling van zijn grote oogmerken.

Dit stelt hem gerust; en al gaan de golven en winden hoog, hij waagt zijn ranke kiel in de storm, dewijl hij een onfeilbare en almachtige Stuurman met zich aan boord heeft. En inderdaad, waartoe zou bij vrezen, daar hij niets verliezen kan? Zijn beste belangen zijn veilig; en de andere dingen merkt hij aan als geschenken van zijn Heere, op Wiens last hij gereed is ze af te staan, door zulke middelen als Hem behaagt, wel wetende, dat schepselen en werktuigen geen haar van zijn hoofd krenken kunnen, zonder de toelating van zijn Heere, en dat, wanneer Hij hun toelaat hem te beledigen, het zekerlijk tot zijn bestwil is. Ik zou hierover breder kunnen uitweiden doch ik ga voort, om de gemoedsgesteldheid van de christen ten aanzien van hemzelf,  te beschouwen. Hij leeft godvruchtig, en matig. Door matigheid verstaan we iets meer, dan dat hij geen dronkaard is. De gezindheid van zijn hart jegens God, doet hem van zelf matig zijn omtrent alle tijdelijke dingen. Hij is niet schroomachtig, of bijgelovig; hij verstaat de vrijheid van het Evangelie, en weet, dat alle schepsel Gods goed is, met dankzegging genomen zijnde; hij tracht niet, zonder noodzaak, zonderling te zijn, noch zelfverzonnen strengheden in acht te nemen.

De Christen volgt noch de Stoïsche, noch de Cynische wijsgeer en na; echter vindt hij dagelijks oorzaak tot waakzaamheid en bedwang. De satan zal zelden beginnen met een gelovige te verzoeken tot grove misdaden; onze gevaarlijkste strikken en hevigste strijd worden doorgaans gevonden in dingen, welke op zichzelf geoorloofd zijn, doch die door hun misbruik schadelijk voor ons worden, het zij door al te veel van onze tijd of van ons hart in te nemen, of op de een of andere wijze ons ongeschikt te maken tot gemeenschapsoefening met de Heere. De christen is steeds omzichtig omtrent alles wat zijn genegenheden mocht verstrikken, zijn ijver verdoven, of hem minder gelegenheden mocht overlaten om de Heere te dienen. Hij is ook vergenoegd met zijn stand, omdat de Heere die voor hem gekozen heeft; zijn geest haakt niet naar vermeerdering van goed, of verandering in zijn omstandigheden. Wanneer de Goddelijke Voorzienigheid hem tot verandering roept en leidt, dan is hij gewillig om te volgen, al ware het dat hij, zoals de wereld het zou noemen, van beter tot erger moest overgaan. Hij is toch maar een reiziger, een vreemdeling op aarde, en een burger van de hemel.

Gelijk de grote der aarde, die wanneer ze op reis zijn, zich gewillig schikken naar de vermoeienissen en ontberingen onvermijdelijk aan het reizen verbonden, ofschoon die veel verschillen van hetgeen zij te huis gewoon zijn, zich troostende met de gedachte, dat zij niet altijd zo behoeven te leven; zo bekommert de christen zich ook niet grotelijks over uitwendige omstandigheden. Bezit hij tijdelijke goederen, hij gebruikt ze matig, heeft hij er slechts zeer weinig van, hij kan zich zonder hen wel behelpen; hij is immers op reis, en zal eerlang te huis zijn. Is hij rijk, de ondervinding bevestigt de woorden van de Zaligmaker, Lukas 12:15 en overreedt hem, dat een ruime zaal, een sleep van dienaren, en twintig gerechten op één tafel, niets toedoen tot het ware geluk des levens. Daarom wenst hij op zulke dingen zijn hart niet te zetten. Is hij in een nederige stand geplaatst, dan vindt hij zich meer geneigd, om hen die boven hem zijn met medelijden aan te zien, dan om hen te benijden; want hij oordeelt, dat zij vele belemmeringen moeten hebben, waarvan hij bevrijd is. Hoe het zij; de wil van God, en het licht van zijn aanschijn, zijn de voornaamste dingen welke de christen, hij zij rijk of arm, in het oog heeft, en daarom wordt zijn gematigdheid allen mensen bekend.

Een derde tak van de gemoedsgesteldheid van een christen, heeft opzicht tot zijn medeschepselen. En hierover, dunkt mij, zou ik, indien ik niet reeds een blad vol geschreven had, mij met genoegen breed kunnen uitlaten. Men vindt in deze verbasterde eeuw, onder degenen die zich christenen noemen en genoemd worden, maar al te veel van een bekrompen, zelfzoekende, baatzuchtige geest. Doch in het begin was het zo niet. Het Evangelie is berekend, om zulk een gesteldheid van geest te genezen, maar niet om die te voeden. Een christen “heeft de zin van Christus, die alom goed deed, en die Zijn zon laat schijnen over bozen en goeden, en regen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen doet komen. Het voorbeeld van zijn Heere verwekt in hem een hebbelijke zucht tot uitgebreide weldadigheid; hij ‘ademt een geest van goedwilligheid jegens alle mensen, en verblijdt zich, zo vaak hij gelegenheid mag hebben, om anderen naar ziel of lichaam nuttig te zijn, zonder aanzien van godsdienstige gevoelens, of van belangen. Hij is meedogend, en zou, indien hij kon, zeer gaarne de rampen verlichten van allen die rondom hem zijn; en wordt hij door gebrek aan vermogen belet, hun dadelijk dienst te doen, zij deden voor het minst allen in zijn medelijden en zijn voorbidding.

Daar hij in dezelfde geest handelt als zijn Meester, ontmoet hij enigermate dezelfde bejegeningen; maar wanneer zijn goeddoen met kwaad beloond wordt, tracht hij het kwade te overwinnen door het goede. Hij gevoelt zichzelf een zondaar, en heeft veel vergeving nodig; en dit maakt hem gereed, om ook anderen te vergeven. Hij is niet verwaand, noch twistziek, noch licht geraakt, noch moeilijk te verzoenen; want aan de voeten van Jezus heeft hij zachtmoedigheid geleerd. En wanneer hij onvriendelijkheden of verongelijkingen ontmoet, dan begrijpt hij, dat ofschoon hij zulks van de mensen niet verdiend heeft, zij werktuigen zijn in de hand van zijnen Hemelse Vader van Wie hij verdiend had veel meer te lijden tot zijn verootmoediging en kastijding; en daarom is hij meer bekommerd over hun zonde, dan over hetgeen hij van hen lijdt, en hij bidt naar het voorbeeld van zijnen Zaligmaker: Vader! Vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen. Hij weet dat hij feilbaar is, en daarom wil hij niet stijf op zijn stuk staan. Hij weet dat hij zelf zeer zwak en gebrekkig is, en daarom durft hij omtrent anderen niet streng te zijn.

Als lid van de maatschappij, is hij rechtvaardig, stipt in het vervullen van alle beroeps en maatschappelijke plichten, getrouw aan zijn verbintenissen en beloften, eenieder mens gevende wat hij hem schuldig is, gehoorzaam aan het wettig gezag, en een iegelijk zonder onderscheid behandelende, volgens d gulden regel, zoals hij wilde dat hem gedaan werd. Zijn gedrag is eenvoudig, vrij van alle kunstgrepen, en zichzelf gelijkblijvend; oplettend is hij op al de delen van zijn plicht. In zijn binnenkamer, in zijn huisgezin, in de kerk, en in de handelingen van het dagelijkse leven, is hij steeds dezelfde man; want in elke omstandigheid dient hij de Heere, en tracht geen ergerlijk geweten voor Hem te hebben. Geen gering gedeelte van het schone zijner belijdenis voor de mensen, bestaat in het wel besturen van zijn tong. De wet der waarheid, en goedertierenheid, en zuiverheid, is op zijn lippen. Hij heeft een afgrijzen van liegen; en hij is er zover van af, een laster te verzinnen, dat hij nooit een verhaal ten nadeel van zijn even

oe waarachtig ook, zal verspreiden, zonder noodzaak. Zijn omgang is vrolijk, doch niet onwelvoeglijk; en hij zal zo min iemand kwetsen door een geestige trek, indien hij daartoe de gave bezit, als met een mes. Zijne rede is in aangenaamheid, met zout besprengd, en gepast om den vrede en de stichting van allen die rondom hem zijn, te bevorderen. Zodanig een is een Christen in het burgerlijk leven. Doch hoewel hij alle mensen liefheeft, staat hij in nauwe betrekking tot, en koestert een bijzondere broederlijke liefde voor allen, die deelgenoten zijn van het geloof en de hoop van het Evangelie. Deze genegenheid van zijn hart is niet bepaald binnen de grenzen van een kerkgenootschap, maar ze is uitgebreid tot allen, die de Heere Jezus Christus in oprechtheid liefhebben. Hij zelf heet niemand meester; maar hij wenst ook aan anderen zijn eigen Schibboleth niet op te dringen. Hij verheugt zich in het beeld van God, overal waar hij het ziet, en in het werk van God, alom waar het wordt bevorderd.

Ofschoon sterk verkleefd aan de waarheden, welke de Heere hem geleerd heeft, staat zijn hart open voor hen, die in min wezenlijke stukken van hem mochten verschillen; hij gunt aan ieder dat recht van eigen oordeel, hetwelk hij voor zichzelf begeert, en is genegen, om in liefde gemeenschap te oefenen met allen, die het Hoofd behouden. Hij kan, ’tis waar, dezulken niet voorspreken, die de enigen grondsteen welke God in Sion gelegd heeft, verwerpen, en dwalingen voorstaan, waardoor de eer van zijn Zaligmaker verdonkerd, of het geloof en de ondervinding van Zijn volk omver geworpen worden; nochtans wenst hij hun het goede ten aanzien van hun persoon, hij heeft medelijden met hen, en bidt voor hen, en is gereed om met zachtmoedigheid te onderwijzen degenen die tegenstaan — doch er is geen bitterheid in zijn ijver; bewust dat spotternij en smaad de zaak van de waarheid onteren, en zeer kwalijk voegen in de mond van een zondaar, die alles, waardoor hij van den snoodste aller mensen onderscheiden is, aan Gods vrije genade heeft te danken. Met één woord, hij wordt bestuurd door de wijsheid die van boven is, welke, gelijk ze zuiver is, zo ook vreedzaam, bescheiden, gezeglijk is, vol van barmhartigheid en van goede vruchten, niet partijdig oordelende, en ongeveinsd.

Nu moet ik terugkomen op hetgeen ik in de aanvang zei, en aanmerken, dat de christen, met deze gemoedsgesteldheid en dit gedrag, en hoezeer hij een onergerlijk geweten voor God en mensen moge behouden, steeds voelt en gedenkt, dat de zonde nog in hem woont. Hij heeft het oog nog meer op het richtsnoer van zijn wandel, dan op zijn vorderingen; en daarom vindt en belijdt hij, dat hij in alles zeer veel te kort komt, en dat zijn beste plichtsbetrachtingen niet alleen gebrekkig, maar bevlekt zijn. Hij acht zich een onnutte dienstknecht, is gering in eigen oog, en leidt al zijn hoop en troost, zowel als zijn sterkte, van Jezus af, die hij leerde kennen, omhelzen, en betrouwen, Wie hij zijne ziel heeft overgegeven, in Wie hij zich verblijdt, en God in de geest dient, terwijl hij afziet van alle vertrouwen in het vlees, en alle dingen schade rekent, om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus zijn Heere. Ben ik onlangs wat traag geweest in mijn schuld bij uw Lordschap af te doen, thans betaal ik o veel te ruimer. Het is hoog tijd, dat ik eindig met uw geduld op de proef te stellen. Ik hoop, dat ik verlang, inderdaad een christen te zijn. En ik hoop dat dit afbeeldsel van mijn wensen, in haast getrokken, aan uw Lordschaps ondervinding beter zal beantwoorden, dan ik vrees dat het aan de mijne doet. Vergun mij u te verzoeken, in uw gebeden aan mij te gedenken, dat Hij, die mij de wil en de begeerte geschonken heeft, mij ook geve te zijn en te doen naar zijn welbehagen.
Ik ben, enz.
September, 1776.