Brieven aan een edelman: Tweeëntwintigste brief

Jon Newton Brieven

MY LORD!

De apostel Paulus spreekt over een gelukzaligheid die door het Evangelie verkregen kan worden. De Galaten bezaten het eens en spraken erover. De apostel herinnert hen aan hun verlies, dat als een waarschuwing voor ons is achtergelaten. Zijn uitdrukking heeft mij er soms toe gebracht te overwegen waar de huidige gelukzaligheid van een christen uit bestaat – ik bedoel datgene wat in deze staat van beproeving kan worden bereikt en waarvan het gevoel en het besef maar al te vaak wordt stilgelegd en ontnomen. Het is een zaligheid die, als we spreken over de mens in zijn natuurlijke staat, zijn oog niet heeft gezien, noch zijn oor heeft gehoord om het te begrijpen, en die evenmin in zijn hart kan opkomen. Het is totaal niet afhankelijk van uiterlijke omstandigheden. Voorspoed kan het niet geven of onderhouden, of het gebrek ervan aanvullen. Ook kunnen tegenspoeden het niet buiten ons bereik brengen. De wijze kan het niet verkrijgen door superieure vaardigheden; evenmin zal de eenvoudige het missen door gebrek aan bekwaamheid.

Vergeleken met anderen is de staat van ware gelovigen altijd gelukzalig. Als zij opnieuw geboren en met Jezus verenigd zijn, zijn zij verlost van de verdoemenis en erfgenamen van het eeuwige leven, en mogen daarom zeker gelukkig geacht worden. Maar ik beschouw nu niet hun oogst, maar hun eerstelingen; niet hun erfdeel van het leven dat komen gaat, maar het onderpand die zij in dit leven kunnen verkrijgen. Niet wat zij in de hemel zullen zijn, maar wat zij in ootmoedig wachten op de Heere op deze aarde kunnen zijn. Er is zelfs op dit moment een prijs van onze hoge roeping voor ons weggelegd. Het is te wensen dat wij een zodanig besef van de waarde ervan hadden, dat wij zo zouden lopen dat wij het zouden kunnen bemachtigen. Ik heb gedacht dat deze zegen in vijf punten kan worden samengevat, hoewel, om het onderwerp beknopt te houden, sommige ervan in verschillende andere kunnen worden onderverdeeld; maar ik wil mijn brief niet de sfeer van een preek geven door te veel onderverdelingen.

In de eerste plaats is een duidelijke, goed gegronde, dagelijkse overtuiging van onze aanneming in de Geliefde mogelijk; en hoewel we veilig zijn, kunnen we niet zeggen dat we zonder die overtuiging gelukzaligheid ervaren. Het is pijnlijk om in een toestand van twijfel en onzekerheid te verkeren op een punt dat zo belangrijk is; en de daarin heeft de Heere voorzien dat Zijn volk op dit punt een sterke vertroosting mag hebben. Gezegend zijn zij, die een klaar gezicht hebben over de macht, genade en geschiktheid van Jezus, en de verzekering en zekerheid van de verlossing in Hem, met zo’n bewustzijn dat zij hun hoop hebben verankerd, en hun alles hebben gewaagd op Zijn Persoon, werk, en belofte, zodat zij een duidelijk antwoord hebben op al de bezwaren van het ongeloof en satan, zoals de apostel dat deed in Rom. 8:31-37. Dat Paulus op deze wijze alle beschuldigingen en vijanden kon uitdagen en overwinnen, was geen gevolg van zijn ambt als apostel, maar een deel van zijn ervaring als gelovige; en voor ons is het evenzeer toegankelijk, want wij hebben hetzelfde Evangelie en dezelfde beloften als hij; en sinds die tijd is het krachtige onderwijs van de Heilige Geest niet afgenomen. Maar helaas, velen blijven hierin achter.

Zij hebben een hoop, maar die komt eerder voort uit hun denkbeelden en gevoelens dan uit een geestelijk besef van de verbintenissen en volheid van de Verlosser, en daarom schommelt en verandert het als het weer. Als zij kunnen worden overtuigd om ernstig en overtuigend te bidden, zoals de apostel voor hen bidt, Ef. 1:17, 18, en 3:16-19, dan zouden zij een zegen vinden die zij nog niet hebben ondervonden; want er wordt gezegd: “Bidt en gij zult ontvangen.” Maar er wordt ook gezegd: “Doch gij hebt niet, omdat gij niet bidt.” Als de natuurlijke mens dit voorrecht op zichzelf zou kunnen genieten, zou hij er geen bezwaar tegen hebben. Hij zou (zo denkt hij) blij zijn te weten dat hij uiteindelijk zalig zal worden, zolang hij maar in zijn zonden mag blijven leven.

Maar de gelovige denkt zo niet, hij kan zich niet gelukzalig voelen, tenzij… hij een geweten heeft dat vrij is van zonde. Dit was de dagelijkse oefening van de apostel, terwijl niemand verder verwijderd was van een wettische geest, of meer afhankelijk was van de aanneming in Jezus. Maar als wij in een zekere bekende zonde leven, of een zekere plicht verwaarlozen, in de veronderstelling dat het in zo’n geval mogelijk is om een gevoel van onze genadestaat te behouden (wat nauwelijks kan worden verondersteld, want als wij de Geest bedroeven, neemt onze zekerheid ook af), dan nog kunnen wij niet gerust zijn. Als een reiziger er absoluut zeker van was dat hij het einde van zijn reis veilig zou bereiken, zal hij, als hij een doorn in zijn voet heeft, bij elke stap de pijn voelen.

Zo’n doorn zal in het geweten gevoeld worden, totdat we begunstigd zijn met een eenvoud van hart, en bereid zijn om in alle dingen, groot of klein, gehoorzaam te zijn aan het gezag van de geboden des Heeren, en ze tot de vaste regel van ons leven te maken, zonder moedwillig een enkele uitzondering toe te laten. In het beste geval zullen we ons bewust zijn van talloze tekortkomingen en schandelijke bezoedelingen. Maar als ons hart oprecht is, zullen deze dingen onze vrede niet verstoren. Maar als wij met het licht spelen en ons datgene veroorloven waarvan wij weten dat het verkeerd is, zullen wij zwak, rusteloos en ongemakkelijk worden. Hoevelen, van wie wij hopen dat zij de kinderen van de Koning zijn, leven van dag tot dag in onzekerheid, omdat een of ander kwaad van hun rechterhand of hun rechteroog, waarvan zij geen afstand kunnen nemen, hen doet uitteren en versterven; zij zijn even ver verwijderd van geluk als van de mogelijkheid om de onverenigbare diensten van God en de wereld met elkaar te verzoenen.

Maar gelukkig is de mens die zichzelf niet hoeft te veroordelen in datgene wat hij toestaat. Gemeenschap met de Heere in Zijn aangewezen genademiddelen is eveneens een belangrijke onderdeel van deze zaligheid. Zij werden voor dit doel ingesteld, en zijn voldoende, krachtens Zijn macht en Geest, om het te beantwoorden. Ik geloof niet dat dit genot altijd gelijk zal zijn; maar ik geloof dat een aangenaam gevoel ervan, in zekere mate, over het algemeen bereikbaar is. Het zal te vinden zijn als men de Bijbel leest, en dan niet zoals een advocaat een testament leest, om alleen maar de betekenis te kennen, maar zoals een erfgenaam het leest, als een beschrijving en bewijs van zijn aandeel, en het Evangelie te horen als de stem van onze Geliefde, zodat er nauwelijks ruimte is om de bekwaamheden van de prediker te bewonderen of de gebreken ervan af te keuren. Om in het gebed de vrijheid te voelen om onze harten voor de Heere uit te storten; om enkele blikken van Zijn goedheid voor ons voorbij te zien gaan; om voor Hem de gemoedsgestalte van een kind uit te ademen, de geest van aanneming; en zo, door Zijn heerlijkheid te aanschouwen, meer en meer aan Zijn beeld gelijkvormig te worden, en onze kracht vernieuwen, door water te putten uit de bronnen van verlossing; ja, hierin ligt de zaligheid.

Zij die het geproefd hebben kunnen zeggen: het is goed voor mij om tot God te naderen. De ziel die verfrist is door het water des levens, wordt bewaard voor het dorsten naar de ijdelheden van de wereld. Alzo onderwezen in het heiligdom, komt hij vervuld met hemelse wijsheid van de berg af, gezalfd met een heilige zalving, en is daardoor bekwaam om te oordelen, te spreken en te handelen in karakter, bij alle betrekkingen en gelegenheden van het wereldse leven. Op deze manier wordt, naast het plezier, een geestelijke smaak verworven, iets wat overeenkomt met de betekenis van het woord smaak wanneer het wordt toegepast op muziek of een goede opvoeding, waardoor afwijkingen en onbehoorlijkheden in acht worden genomen en vermeden, als het ware door instinct, en wat goed is wordt aangevoeld en opgevolgd, niet zozeer door de kracht van geboden, maar door een gewoonte die ongemerkt wordt verworven, en waarin de grond van alle vereiste voorschriften worden opgenomen, als ik dat zo mag zeggen. O, dat ik meer wist van deze zegen en de gevolgen ervan!

Een andere tak van gelukzaligheid is het vermogen om onszelf en onze zorgen te stellen op de trouw en zorg van de Heere: een vertrouwen op Hem dat Hij zeker voor ons zal zorgen, ons zal leiden, ons zal beschermen, onze hulp zal zijn in moeilijkheden, ons schild in gevaar; zodat wij, hoe arm, zwak en weerloos wij ook zijn, ons mogen verheugen in Zijn volkomen geschiktheid voor onszelf. En verder, als gevolg hiervan, een rustige en ootmoedige onderwerping aan Zijn wil, onder alle gebeurtenissen die op het eerste gezicht in strijd zijn met onze eigen opvattingen en verlangens. Zeker, in een wereld als deze, waar alles onzeker is, waar we aan alle kanten worden blootgesteld aan beproevingen, en niet weten of het komende uur iets verdrietigs, ja iets vreselijks kan voortbrengen voor onze natuurlijke gevoelens, kan er geen zegen zijn, behalve als we zo in staat zijn om alles toe te vertrouwen en over te geven aan het bestuur en de trouw van de Heere, onze Herder.

Bij gebrek aan een dergelijke gezindheid verwarren en kwetsen velen van de belijdende christenen zichzelf en onteren zij hun hoge roeping door voortdurende zorgen, angsten en klachten. Zij denken dat niets veilig is onder de hoede van de Heere, behalve als hun eigen oog er op gericht is. Zij zijn zelden tevreden met Zijn voorzieningen; want hoewel hij in negen gevallen hun verlangens vervult, bederft een ontzegging in het tiende geval de smaak van alles, en zij laten zien dat de waarheden van het Evangelie hun weinig troost kunnen bieden wanneer zij zichzelf tegenspreken. Maar gezegend is de mens die op de Heere vertrouwt en op de Heere hoopt. Hij zal niet bang zijn voor slechte berichten; hij zal in volmaakte vrede worden bewaard, hoewel de aarde wordt bewogen en de bergen in het midden van de zee worden geworpen.

Het papier geeft aan dat het tijd is om u te verlaten. Ik heb geen ruimte om u langer op te houden bij het vijfde punt. Het behoort tot de zegen van een gelovige om in de wereld een opgewekte en ijverige geest te hebben voor de dienst van de Heere. Want met welk ander doel zou hij willen leven? Als hij alleen aan zichzelf dacht, zou het beter zijn onmiddellijk te vertrekken en bij Jezus te zijn. Maar hij is een schuldenaar van Gods liefde en genade; en hoewel hij strikt genomen niets kan terugdoen, verlangt hij er toch naar zijn dankbaarheid te tonen; en als de Heere hem een hart geeft, om zijn tijd te benutten, om zijn kracht en invloed in te zetten, en zich voor Zijn dienst in te spannen – zodat hij kan bijdragen in het bevorderen van Zijn zaak, in het troosten van Zijn volk – of hem in staat stelt zijn licht te laten schijnen voor de mensen, zodat zijn God en Vader geëerd worden – dan zal hij dat als een zegen beschouwen. Dit is inderdaad het grote doel van het leven, en hij weet dat dit duidelijk zal blijken bij het naderen van de dood; en daarom, terwijl anderen zich met vele dingen bezighouden, acht hij dit het enige noodzakelijke.

Ik ben, enz.