Brieven aan een edelman: Twaalfde brief

Jon Newton Brieven

MY LORD!

Wanneer de eerste regel van Horatius Brief aan Augustus juist toegepast wordt, levert het een groots en zielverheffend denkbeeld op. Zoals de dichter het bedoelde, kan er niets godslasterlijk, afgodisch en ongerijmd in zijn. Maar met welk een troost en hoe gepast mag een christen opzien naar Hem Die alle macht in hemel en op aarde gegeven is. Hoe heerlijk en krachtig wordt ze besloten, door het woord Solus! (alleen) De heerschappij is alleen op Zijn schouder. En hoewel Hij door een deksel doormiddel van twee oorzaken voor het oog van de stervelingen verborgen is, kan men alleen de middelen, werktuigen en voorvallen waardoor Hij werkt opmerken. Daarom moet men beseffen, dat als men denkt dat Hij niets doet, dat Hij nochtans waarlijk alles doet. Alles werkt naar Zijn raad en welbehagen, zowel boven in de hemel als onder de inwoners van de aarde.

Wie kan de tot et tanta negotia tellen, die onophoudelijk voor Zijn ogen zijn, door Zijn wijsheid in orde geschikt, afhankelijk van Zijn wil en bestuurd door Zijn macht iņ Zijn Koninkrijk van Voorzienigheid en Genade? Als wij de hemelen beschouwen, het werk van Zijn handen, de maan en de sterren die Hij bereid heeft, dan roepen wij de sterrenkundigen en de verrekijkers te hulp om ons enig begrip te leren vormen van het getal, de afstanden, de grootte en de bewegingen van de hemellichamen. Des te meer wij het onderzoeken, des te meer zullen wij ervan verzekerd worden dat dit alles slechts uiterste einden van Zijn wegen zijn. Maar Hij noemt ze alle bij naam, onderhoudt ze door Zijn kracht, en als Hij ze niet zonder ophouden staande hield zouden ze in verwarring raken of wegzinken. Als wij spreken over verstandelijke wezens; dan is Hij het leven, de blijdschap, de zon van een ieder die voor gelukzaligheid vatbaar is.

Wat er ook te verstaan is door de tronen, overheden, en machten in de wereld van het licht; zij zijn allemaal afhankelijk van Zijn Alvermogen en moeten gehoorzamen aan Zijn bevel. Dit geldt voor engelen en mensen. Zonder Hem kunnen zij niets doen. De machten der duisternis staan insgelijks onder Zijn gezag en bedwang. Hoewel er maar weinig van hen in de Heilige Schrift gezegd wordt, lezen wij er toch genoeg van om er zeker van te zijn dat haar getal onnoemelijk groot is, en dat haar krachten, listen en boosheid zodanig zijn, dat wij wel mogen beven wanneer wij ze ons voorstellen als onze vijanden. Dit zouden wij waarschijnlijk ook zijn als wij niet zo verbazend ongevoelig waren voor alles wat niet onder de waarneming van onze uiterlijke zintuigen valt. Doch Hij houdt hen allemaal geketend zodat zij niets kunnen doen of ondernemen, dan alleen onder Zijn toelating. En al wat Hij hen toelaat zal dienen om Zijn wil te volbrengen.

Maar om dichter bij onszelf te blijven en te spreken van hetgeen meer gepast schijnt naar onze bekrompen gewaarwordingen; zullen ook wij hier in verwondering moeten staan. Voor deze gezegende en enige Heerser zijn alle volken der aarde als een stofje aan de weegschaal en als een geringe druppel water aan Zijn vinger. Zij zijn in vergelijking met de onmeetbare grootheid van Zijn werken nauwelijks Zijn opmerking waardig. En toch… regeert, doorziet, verzorgt, bewaart en bestuurt Hij alle dingen. Door Hem zullen Zijn schepselen leven en zich kunnen bewegen. Van Hem ontvangen zij hun voedsel en onderhoud. De ogen van allen wachten op Hem; wat Hij hen geeft zullen zij vergaderen, en zij kunnen niet vergaderen dan dat Hij hen geeft. Op Zijn woord zinken zij in het stof. Er is geen worm die op de grond kruipt, geen bloem die in de ongebaande wildernissen groeit, geen schelp aan de oever van de zee, die niet het oogmerk van Zijn wijsheid, macht, en goedheid draagt. Wat de mensen aangaat; Hij voert een onbepaalde heerschappij over iedere koning, elk rijk, huisgezin en bijzonder persoon.

Wij mogen wel verbaasd staan over Zijn wijsheid, in hoe Hij vrijwillig werkende wezens  – die voor het grootste deel Zijn vijanden zijn – gebruikt om Zijn doel tot uitvoering te brengen. Maar hoe vijandig zij ook tegen Hem zijn, zij staan Hem allemaal ten dienste. Zijn lankmoedigheid is insgelijks verwonderlijk.

Velen, ja bijna ons hele geslacht, misbruikt het leven en de kracht die Hij hen schenkt om Hem in al Zijn weldaden waarmee Hij hen overlaadt te beledigen. Zijn geboden worden vergeten, Zijn Naam wordt gelasterd, Zijn gunst versmaad, Zijn almacht getergd, en… toch spaart Hij hen. Een voortreffelijk deel van Zijn regering bestaat hieruit, dat Hij de verdorvenheid van ’s mensen natuur beteugelt en in veel opzichten haar uitwerksel afwend. Zonder Zijn voorzienig bedwang zou de mensheid aan zichzelf overgelaten zijn, wat de aarde tot een ware hel zou maken. Want het wordt de slechtste mensen niet toegelaten het duizendste deel van de boosheid te bedrijven waartoe hun hart hen anders zou aanzetten. De aarde, hoewel ze in het boze ligt, is vervuld met de goedertierenheid des Heeren. Hij behoedt mens en beest, onderhoudt de jonge leeuw in het woud, voedt de vogelen des hemels die noch voorraadkamer noch schuur hebben. Hij versiert de insecten en de bloemen des velds met een schoonheid en luister, boven alles wat in de hoven der koningen gevonden kan worden.

Nog verwonderlijker is Zijn regering in Zijn Koninkrijk der Genade. Hij is al Zijn schepselen nabij, maar op een bijzondere wijze is Hij nabij Zijn volk. Elk van hen is een gedenkteken van veel heerlijkere macht, dan die, waardoor de hemelen uitgebreid zijn als een gordijn, en waardoor de grondvesten der aarde zijn gelegd. Want Hij vindt hen allemaal in een staat van weerspannigheid en vijandschap, en maakt hen tot een gewillig volk. En vanaf het tijdstip dat Hij hun Zijn liefde openbaart, neemt Hij hun zaak voor Zijn rekening en draagt zorg voor al hun belangen. Hij is zó nabij, en let zó nauwkeurig op een ieder van hen in het bijzonder, alsof er niets meer bestond buiten die enkele persoon.

Deze Hoge en Verhevene, Die in de eeuwigheid woont, voor Wie de engelen hun aangezicht bedekken, wil zo laag neerbuigen om gemeenschap te oefenen met hen die door de mensen veracht worden. Hij ziet niet zoals een mens ziet. Hij vaart op een wolk de trotse Sultan of Keizer met verontwaardiging voorbij, om Zich aan een ootmoedige ziel in een nederige stulp te openbaren. Hij vertroost Zijn volk in tegenspoed, versterkt hen als zij bezwijken, ondersteunt hen wanneer zij struikelen en betoont hun Zijn hulp tijdig en krachtdadig. Wanneer Zijn volk vervolgd en verzocht wordt en hun vijanden veel en machtig zijn, kan niets van wat zij voelen of vrezen hen van Zijn liefde scheiden.

En dit alles doet Hij Solus. Al de bekwaamheden, vermogens en natuurdriften die onder de schepselen gevonden worden zijn uitvloeiselen van Zijn volheid. Alle veranderingen, voorspoed , tegenspoed – alles wat in de jaarboeken van de geschiedenis opmerkelijk is, al de opkomsten en ondergangen van Overheden en Staten, al de omwentelingen die in het menselijk leven voorvallen, geschieden volgens Zijn gemaakt bestek. Tevergeefs spannen de mensen hun verenigde krachten in om hun raadslagen tot stand te brengen. Als zij geen deel uitmaken van Zijn grote ontwerp, worden de uiterste pogingen van hun krachten en wijsheid gestremd en verijdeld door de zwakste en minst voorziene omstandigheden. Maar wanneer Hij een werk tot uitvoering wil brengen, en Zijn tijd is daar; hoe ongeschikt en zwak de middelen waarvan Hij Zich bedient ook mogen lijken, dan is de goede uitslag onfeilbaar zeker. Want alle dingen staan Hem ten dienste en zijn in Zijn hand als het leem in de hand van de pottebakker. – Groot en wonderbaar zijn Uw werken, Heere, Gij Almachtige God; rechtvaardig en waarachtig zijn Uw wegen, Gij Koning der heiligen!

Dit is de God die wij aanbidden. Deze is het, Die ons uitnodigt om te leunen op Zijn alvermogende arm, en belooft, ons te leiden door Zijn nimmer dwalend oog. Hij zegt tot u, My Lord, en ook tot mij: Vrees niet, Ik ben met u; wees niet verbaasd, Ik ben uw God; Ik zal u sterken, ja Ik zal u helpen, ja Ik zal u ondersteunen met de rechterhand mijner gerechtigheid. Daarom, zolang wij in de weg van onze plicht blijven en Zijn roeping volgen, mogen wij bemoedigd, en zonder op schijnbare moeilijkheden acht te geven, voortgaan. Want de Heere, Wiens eigendom wij zijn, en Die ons Zijn eer tot ons hoogste doeleinde leerde stellen, zal voor ons heengaan en op Zijn woord wordt het kromme recht, licht zal uit de duisternis schijnen en bergen worden geslecht tot valleien. Het geloof mag en moet geoefend worden; de ondervinding moet en zal bevestigen hetgeen Zijn Woord verklaart, dat het hart arglistig is en dat de mens in Zijn beste toestand niets anders is dan ijdelheid. Maar Zijn beloften aan hen die Hem vrezen, zullen insgelijks bevestigd worden, en zij zullen in alle omstandigheden in Hem een zon, een schild, en een loon zeer groot vinden.

Ik heb wederom iemand van mijn volk verloren; een moeder in Israël; iemand met veel ervaring, uitstekende genade, wijsheid en nuttigheid. Zij wandelde veertig jaar met God. Zij was een van ’s Heeren behoeftigen; maar in haar armoede was haar wandel eerlijk, welvoegelijk, en godvruchtig. Zij werd in haar leven zeer geacht, en haar dood wordt als een algemeen verlies beschouwd. Voor mij is het een groot verlies; ik zal het zonder haar leerzame gesprekken en voorbeeldig gedrag moeten doen, waardoor ik menigmaal gesticht en bemoedigd ben geworden. Maar – Jezus leeft nog. Haar laatste woorden waren: “Mijn ziel zegt, de Heere is mijn deel.”
Ik blijve, enz.
Februari, 1774.