Brieven aan een edelman: Elfde brief

Jon Newton Brieven

MY LORD!

Mijn oude afgedankte bekende, Horatius, kwam mij deze morgen in handen. Ik sloeg open op Lib. 3. Od. 29. Ik wist niet dat het voornemen volstrekt onuitvoerbaar zou zijn, hoe graag ik die plaats ook wilde navolgen om uw Lordschap in bescheiden proza, of in sierlijke verzen, een uitnodiging per brief toe te zenden! Ik moet mij dan vergenoegen met het denkbeeld van het vermaak dat het mij geven zou, als ik met u een halve dag onder mijn geliefde grote boom mocht zitten, om met elkander te spreken.

Niet over de betrekkelijk geringe aardse dingen en menselijke zaken, maar van de dingen die het Koninkrijk Gods aangaan. Hoe veel aangename onderwerpen zouden zich aan ons in zulk een vrij en afgezonderd gesprek voordoen! De voortreffelijkheid van onze Koning; de bestendigheid en heerlijkheid van Zijn Rijk; de uitnemendheid van Zijn regering; de voorrechten van Zijn onderdanen; de herinnering aan hetgeen Hij voor ons gedaan, en het vooruitzicht van hetgeen Hij in het toekomende voor ons bereid heeft. Wat zou het heerlijk zijn dat terwijl wij zo samen spraken, het Hem behagen zou bij ons te komen zoals bij de Discipelen op de weg naar Emmaus. Wat zouden onze harten in ons brandende zijn! Inderdaad, hetzij wij ons alleen, hetzij wij ons in gezelschap bevinden, de gewichtigste voorwerpen treffen ons maar flauw, tenzij het Hem behaagt, ons Zijn genaderijke invloed te verlenen. Maar wanneer Hij Zijn Aangezicht toont, dan worden licht, liefde, en vrijmoedigheid ontstoken in de harten van die Hem kennen. Dit brengt mij op de gedachte dewijl ik van Horatius gemeld heb om enkele mooie regels van deze dichter op een andere Vorst, dan die hij er mee wilde eren, toe te passen. Zoals ze door hem gebruikt worden, zijn ze goddeloos en afgodisch. Maar in de mond van een gelovige kunnen ze een verheven en krachtigen nadruk hebben.

Lucem redde tune, Dux bone, patriae,
Instar veris enim vultus ubi tuus
Affulsit populo, gratior it Dies
Et Soles melius nitent 1.

Helaas kunnen wij elkaar niet ontmoeten. Al wat ik doen kan, is gebruikmaken van de vrijheid, die u mij gegeven hebt om enige weinige dingen over die onderwerpen aan te stippen in mijn brief; niet omdat ze u onbekend zijn, maar omdat u ze bemint. Het uur nadert, dat alle beletselen er niet meer zijn. Alle scheidingen die zich onder de maan bevinden zal ophouden, en de aarde, en de werken die er in zijn zullen verbranden. Wat een heerlijke dag! Mochten onze zielen vervuld zijn met deze gedachte en leren om alle dingen rondom ons thans te schatten naar de waarde waarin ze ons dan zullen voorkomen! Dan zal het van weinig belang zijn wie in dit leven de vorst was, en wie de bedelaar, wie in zijn bijzondere stand de Heere gezocht, bemind, gevreesd, en verheerlijkt heeft. Maar helaas! Hoeveel van de koningen op aarde, rijken veldheren en de machtigen zullen dan, hoewel tevergeefs, tot de bergen en steenrotsen zeggen: Val op ons, en bedek ons!”

In deze wereld zijn ze meest al te zeer bezet met bezigheden om acht te slaan op Gods geboden, of te gelukkig, om belang te stellen in Zijn gunst. Zij genieten hier het goede; zij behagen zichzelf voor een tijd. Maar in één ogenblik zullen zij in het graf neerdalen! In dat uur vergaan al hun plannen; hun werken blijven onafgemaakt; zij worden uit hun bezittingen gerukt; en gaan over tot een nieuwe, onbezochte, onveranderlijke, nimmer eindigende staat van aanzijn! Helaas! Is dit nu alles wat de wereld bieden kan? Ik wens u geluk, My Lord, niet omdat God u in een verhevener rang in deze wereld geplaatst heeft: dit, afgescheiden van de gelegenheid welke het u verschaft om meer nut te doen, zou misschien ook gepaste stof tot klagen kunnen zijn. Maar ik wens u gelukkig dat Hij u verwaardigd heeft tot die eer en voorrechten welke van Hem alleen afkomen, en die zo weinig in de hogere standen van de maatschappij hun oplettendheid waardig keuren. Ik twijfel er niet aan dat u dikwijls aangedaan bent door een gevoel van deze onderscheidende gunst. Maar toch, hoewel wij weten dat wij schuldenaars, grote schuldenaars zijn aan de Goddelijke genade, die alléén, ons onderscheidt; weten wij echter thans slechts zeer onvolkomen.

Het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen; wij kunnen ook geen recht begrip maken van de ellende waaruit wij verlost zijn, en nog minder van de prijs die voor onze verlossing is betaald. Wat kennen wij weinig van de waardigheid der Verlosser, en van de onuitsprekelijke droefheid die Hij heeft geleden toen Zijn ziel zich ten schuldoffer stelde voor de zonden, en het de Vader behaagde Hem te verbrijzelen, opdat wij door Zijn striemen genezing zouden worden! Deze dingen zullen ons op een gans andere wijze aandoen, wanneer wij ze in het licht van de eeuwigheid beschouwen. Maar, om terug te keren tot de gedachte waarmee ik begon: dan en daar zullen wij, hoop ik, elkaar op de voordeligste wijze ontmoeten, en een eeuwigheid met elkaar in zaligheid en lof doorbrengen. Met deze gedachte probeer ik mijzelf te troosten, onder het verdriet dat ik soms voel, omdat ik in dit leven zo weinig gelegenheid heb u te zien. is, ons ondersteunen en bemoedigen, om de tussentijd wel te besteden. En laat ze ons vervullen met een heilige drift, om te schijnen als lichten in de wereld, tot prijs en heerlijkheid der genade van Hem, Die ons uit de duisternis geroepen heeft.

Hoezeer wij ook omringd zijn door strikken, verzoekingen en zwakheden, is het echter mogelijk, door Zijn beloofde bijstand, in een aanmerkelijke mate te leven boven de wereld, terwijl wij er nog in zijn; boven de invloed van haar zorgvuldigheden, verleidingen en bedreigingen. Onze wandel, TOMITEULLO, ons burgerschap is in de hemel. Wij zijn hier niet in onze vaste woonplaats, maar houden hier slechts ons verblijf voor enigen tijd om een bepaalde dienst te verrichten. En de Heere Die wij dienen heeft ons aangemoedigd om te hopen dat Hij ons leiden zal door Zijn wijsheid, ons zal versterken door Zijn kracht, en ons vertroosten door het licht van Zijn aanschijn, hetwelk beter is dan het leven. Elke zegen, die wij van Hem ontvangen is een teken van Zijn gunst, en een onderpand van dat gans zeer uitnemend eeuwig gewicht van heerlijkheid, hetwelk Hij voor ons bewaard heeft. Wat zal het zijn om Hem op die grote dag te horen zeggen! “Wel gij goede en getrouwe dienstknecht, ga in, in de vreugde uws Heeren.” Het zal een ruime vergoeding zijn voor alles wat wij in liefde tot Hem ooit kunnen verliezen, lijden, of ondergaan.
Ik teken mij met alle oprechtheid, enz.
Juni, 1773.

1 Dat is : O brave Vorst, geef het licht weder aan uw Vaderland; want wanneer uw aangezicht, gelijk de Lente, het volk toestraalt, dan is de dag aangenamer, en de zon blinkt schoner.