Brieven aan een edelman: Drieëntwintigste brief

Jon Newton Brieven

MY LORD!

Opdat ik u niet met een inleiding zou vermoeien, verplicht ik mij om het uitgangspunt van mijn brief te nemen in een Schriftplaats en vestig ik mijn aandacht op hetgeen mij juist te binnen schoot: een zinsnede uit het voorbeeld voor het gebed dat Hij, Die het beste onze toestand kent, beliefd heeft tot onderwijs van Zijn volk na te laten ten behoeve van hun grote bekommering waarmee zij hun opwachting maken aan de troon der genade: “En leid ons niet in verzoeking” (Matth. 6:13). Deze bede is gepast voor alle tijden en voor alle personen die enige ware kennis hebben van zichzelf en van hun geestelijke roeping.

Het woord verzoeking, in een ruime betekenis genomen, sluit elke soort beproeving in. Verzoeken is toetsen of beproeven. In deze betekenis staat er dat de HEERE Abraham verzocht, dat is: hem beproefde, want God kan niet tot het kwade verzoeken. Hij stelde hem zo’n daad van gehoorzaamheid voor, om een toetssteen te zijn voor zijn geloof, liefde, afhankelijkheid en oprechtheid. Zo zijn alle verdrukkingen onder Zijn gezegende leiding bedoeld om de genade van Zijn kinderen te beproeven, tot openbaring te brengen, te oefenen en te reinigen. En niet alleen verdrukkingen; voorspoed is eveneens een toestand van verzoeking. Velen die scherpe beproevingen hebben doorstaan, en daar met God en met ere doorheen zijn gekomen, hebben later ernstige schade geleden en zijn verstrikt geworden door voorspoed.

Hierop zijn de geschiedenissen van David en Hizkia van toepassing, maar onder verzoekingen verstaan wij vaker de listen en het geweld waarvan satan gebruikmaakt om een aanval te doen op onze vrede, of strikken uit te zetten voor onze voeten. Zijn praktijken zijn altijd op ons gericht, óf rechtstreeks vanuit hemzelf, doordat hij toegang heeft tot ons hart, óf middellijk, door zijn invloed op mensen en dingen in deze wereld. De woorden die op onze tekst volgen, bevestigen dit gevoelen: “Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van “de boze”, zoals het hier en in 1 Johannes 5:19 weergegeven kan worden.(1) De sluwheid en de macht van deze tegenstander zijn heel groot, hij is ons te sterk af en wij kunnen alleen verwachten veilig te zijn als de Heere ons behoedt. De werking van de satan op ons hart kan men illustreren met de uitwerking die de wind op de zee heeft. Soms ziet de zee er glad uit, maar die is er altijd vatbaar voor om elke windstoot op te volgen, op te zwellen en woelig te worden.

Zo kan ook het hart soms rustig zijn, maar de wind der verzoeking kan het in een ogenblik doen ontwaken en opschrikken, want het is onze verdorven natuur eigen ongestadig en beweeglijk te zijn als water, en als het onder druk van de vijand staat, kan het geweld daarvan alleen overheerst worden door Hem, Die tot de woedende zee zegt: “Wees stil, hier moeten uw trotse golven gaan liggen!”. Een verzoeking heeft bijna ontelbare vertakkingen, maar in hoofdzaak kunnen die teruggebracht worden tot de verschillende vermogens van de ziel (zoals wij die gewoonlijk noemen), waarbij ze zich rechtstreeks aanpassen. De boze heeft verzoekingen voor het verstand. Hij kan het verstand bezetten met vooroordelen en valse overleggingen, en het bestoken met argumenten tot ongeloof, zodat de duidelijkste waarheden betwijfeld worden. Zelfs waar men het Evangelie heeft aangenomen, kan hij de dwaling heimelijk ingeven, die als gevolg van zijn directe en schadelijke uitwerkingen vergeleken kan worden met vergif. Een gezond mens kan in een ogenblik vergiftigd worden en als dat gebeurt, wordt het giftig, bedwelmend middel gewoonlijk door zijn voedsel gemengd.

Velen die voor een tijd gezond in het geloof schenen te zijn, hebben hun opvattingen, vreemd genoeg, geheel laten bederven en hebben zich laten overreden om de waarheden die zij eenmaal op hoge prijs stelden en verdedigden, te verwerpen en tegen te spreken. Zulke voorbeelden zijn treffende bewijzen van de menselijke zwakheid en luide signalen tot waakzaamheid en afhankelijkheid, om ons te hoeden voor het steunen op ons verstand. Om dit doel te bereiken, gebruikt de vijand zowel predikers als schrijvers die met mooie woorden en geloofsuitspraken de harten van onachtzamen verleiden. Door zijn onmiddellijke invloed op het verstand, is de vijand in staat (als de Heere dat toelaat) diegenen te verstrikken, die onder Gods voorzienigheid een plaats gekregen hebben buiten het bereik van deze corrupte, listige mensen. De boze verzoekt ook de consciëntie. Door in te werken op het ongeloof van ons hart en de heerlijkheid van het Evangelie te verduisteren, kan hij de ziel bezighouden met het aantal, het gewicht en de verzwaring van haar zonden, zodat zij niet kan opzien tot Jezus en ook geen troost kan putten uit Zijn bloed, beloften en genade. Hoevelen gaan op deze wijze gebukt daarheen, terwijl zij verlichting zoeken in de plichten en misschien hun krachten verspillen aan dingen die niet geboden zijn, ofschoon zij wel het Evangelie horen en het ook toestemmen.

Ook kunnen de verstandigste en meest bevestigde christenen zijn aanvallen niet weerstaan, als de Heere Zich terugtrekt en de vijand toestaat zijn list en geweld ongehinderd aan te wenden. Het Evangelie biedt voldoende grond voor een blijvende zekerheid der hoop en wij moeten zonder die zekerheid ook niet voldaan zijn en rusten. Het bezitten en behouden van dit voorrecht hangt echter af van de tegenwoordigheid des Heeren in de ziel en van Zijn bescherming tegen de aanvallen van de satan, want ik ben ervan overtuigd dat hij de sterkste gelovige op aarde kan ziften en doen wankelen. De boze heeft eveneens verzoekingen die gepast zijn voor de wil. Jezus maakt Zijn volk gewillig op de dag van Zijn heirkracht, maar toch blijft er in hun binnenste een tegengesteld beginsel, waarvan satan gebruik weet te maken. Er zijn gelegenheden waarin hij bijna de overhand verkrijgt om het eigen ik weer op de troon te plaatsen; net als Dagon weer overeind gezet werd nadat hij voor de ark gevallen was. Hoe zou het anders mogelijk zijn dat iemand die gesmaakt heeft dat de Heere goedertieren is, toegeeft aan een morrende geest. Zijn voorzienig beleid als hard oordeelt, of Zijn geboden te streng vindt, zodat hij uit mensenvrees, of met het oog op werelds voordeel, terugschrikt om die te onderhouden?

Verder heeft de boze ook valstrikken voor de genegenheden. Om daarop in te spelen, verkrijgt hij veel voordeel uit onze plaats in een wereld die God niet kent. De Schrift geeft de satan de titel van “de overste dezer wereld” en de gelovigen komen door pijnlijke ondervinding aan de weet hoe groot zijn macht is in en over mensen en over de dingen van de wereld, zodat standvastig te zijn in de wegen der wijsheid een aanhoudende inspanning vergt, alsof men zich een weg moet banen door een menigte of tegen de stroom op moet zwemmen. Wat is het moeilijk te midden van pek te verkeren en zich niet te bevuilen! De lucht in de wereld is besmettelijk. Onze bezigheden en niet te vermijden relaties zijn zo verweven met gelegenheden tot zonde, en er is in ons hart zoveel dat daarbij aansluit, dat wij geen dag of uur staande kunnen blijven, tenzij wij onophoudelijk vastgehouden worden door een almachtige kracht. Overwinningen uit het verleden verschaffen ons geen groter zekerheid dan ze Simson gaven, die op schandelijke wijze verrast werd door vijanden die hij eerder had overwonnen.

Wij worden ook niet alleen verzocht door toe te geven aan dingen die op zichzelf zondig zijn. Wat die dingen betreft, kan het geweten misschien wel waakzaam zijn en kunnen wij op onze hoede zijn, maar wij zijn nog steeds op satans grondgebied. Terwijl hij de schijn kan aannemen zich gewonnen te geven, kan hij zeer handig zijn methode veranderen en ons aanvallen waar wij hem niet verdenken, want velen “gaan verloren door het doen van geoorloofde dingen”. Misschien komt het grootste gevaar voor ons juist wel voort uit dingen die op zichzelf geoorloofd zijn. De boze kan ons verzoeken door middel van onze naaste en liefste vrienden en hij verandert iedere zegening die wij in Gods goede voorzienigheid ontvangen in een gelegenheid om ons hart van de Gever af te trekken. Ja, geestelijke zegeningen, gaven en vertroostingen, en zelfs genadegaven, zijn soms de middelen die hij tegen ons gebruikt om ons te vervullen met ijdel vertrouwen en zelfgenoegzaamheid, of ons in de slaap van vormelijkheid of vadsigheid te wiegen.

Het wonderlijk vermogen dat wij verbeelding noemen, is, dunkt mij, eerder het middel om gewaarwordingen in de ziel toe te laten, zolang als de huidige staat van vereniging met het lichaam duurt, dan dat het -strikt gesproken- een geestelijk vermogen is. Het deelt echter wel ruimschoots in de verdorvenheid die de zonde over ons gehele bestaan gebracht heeft en dit vermogen biedt satan een ingang voor zijn meest schrikaanjagende, zo niet gevaarlijkste aanvallen van zijn verzoekingen. Op z’n best hebben wij er maar weinig controle op. Wij kunnen door een daad van onze wil niet eens duizend pijnlijke, wilde, tegenstrijdige, schadelijke denkbeelden buitensluiten, die altijd klaarstaan om zich aan onze gedachten op te dringen. Een geringe verandering in ons lichaamsgestel, in onze bloedsomloop, in ons zenuwgestel, is voldoende om het geheel aan onze controle te onttrekken en ons achter te laten als een stad zonder muren en poorten, open en bloot voor de invallen van onze vijand.

Wij zijn op vreselijke wijze wonderbaarlijk gemaakt en met al onze hooggeroemde kennis van andere zaken, kunnen wij ons geen voorstelling vormen van wat voor ons zo oneindig belangrijk is, namelijk: de geheimzinnige verbinding van ziel en lichaam, en de wijze waarop zij wederzijds op elkaar invloed uitoefenen. De gevolgen daarvan voelen we maar al te zeer. De wijsten onder de mensen zouden onder de dwazen geteld worden, als zij een klein deel van wat in ons binnenste omgaat onder woorden zouden moeten brengen. Dan zou blijken dat veel van het eenvoudigste leven weinig meer is dan een droom tijdens het ontwaken. Wat zouden de gevolgen vreselijk zijn als de Heere zou toelaten dat een verborgen onderdeel van het menselijke “mechanisme” verwisseld zou worden! Dan zou er onmiddellijk een deur openzwaaien die geen enkele hand zou kunnen sluiten, behalve Hijzelf, en de vijand zou een vloed van leugen en verschrikking, én van zwarte duisternis naar binnen laten stromen. Het verstand zou neergedrukt en onbruikbaar worden en de meest beangstigende denkbeelden zouden ons aangrijpen met alle mogelijke kracht en bewijs van overtuiging. Als dat in zeker mate het geval is, noemen we dat waanzin, maar daar zijn verschillende gradaties in, die iemand nog wel in het bezit laten van zijn zinnen wat de dingen van het gewone leven betreft, maar die toch voldoende zijn om ten aanzien van zijn geestelijke aangelegenheden zelfs de fundamenten van zijn hoop te doen wankelen, hem alle vrede en troost te ontnemen en hem een schrik voor zichzelf te doen worden. Niet al Gods kinderen worden geroepen om in deze diepe wateren van zielsverschrikking te varen, maar allen staan daar wel aan bloot.

O, als wij wisten wat sommigen lijden, door de verschrikkingen Gods en de schuddingen van het geloof, die de geest kwellen van degenen die- onder de toelating- door satan op deze wijze getiranniseerd worden, dan zouden wij zeker ernstiger en vaker bidden: “Leid ons niet in verzoeking”. Uit enige ondervinding die ik heb van de boosheid en de sluwheid van onze geestelijke vijanden, en van de zwakheid van de barrières die wij kunnen opwerpen om hun aanvallen af te weren, ben ik er ten volle van overtuigd dat niets minder dan de voortdurende aanwending van de almachtige kracht, die de sterren in hun loop doet blijven, de rust van ons gemoed een uur of een minuut kan bewaren.

In dat opzicht schijnen vergelijkbare verschillen in uitwendige omstandigheden niets te betekenen, want als de tegenwoordigheid des Heeren Zijn volk in een kerker gelukkig kan maken, zo zijn er ook verzoekingen die, als wij ze zouden ondervinden, ons onmiddellijk onvatbaar zouden maken om een ogenblik vertroosting te ontvangen uit alle aardse zegeningen. Ze zouden het gezelschap van onze liefste vrienden onaantrekkelijk, zo niet ondraaglijk maken. O, hoe weinig denken degenen die vrolijk en druk bezet zijn, over deze dingen. Trouwens, hoe weinig denken diegenen eraan, die belijden dat ze deze dingen geloven. Hoe zwak is het besef van hetgeen wij te danken hebben aan Hem, Die Zich vrijwillig heeft onderworpen aan de hevigste aanvallen van de machten der duisternis, om ons te verlossen van de straf op onze zonden. Anders moesten wij voor eeuwig opgesloten worden bij deze ellendige, meedogenloze geesten, die zich vergenoegen in onze kwellingen en die, zelfs in deze tegenwoordige bedeling, ons leven tot een last kunnen maken, als zij toegang verkrijgen tot onze geest.

De Heere, Die onze zwakheid, waarvan wij ons zo weinig bewust zijn, kent en aanschouwt, vergunt en leert ons echter te bidden: “Leid ons niet in verzoeking”. Wij moeten maar niet verwachten dat wij geheel vrij zullen zijn van verzoekingen; wij worden geroepen om te strijden en moeten soms geconfronteerd worden met vijanden en misschien wonden oplopen. Maar als wij dit gebed overdenken dat Hij, Die weet wie wij zijn en waar wij zijn, ons heeft nagelaten, kan dat ons zowel onderwijs als vertroosting verschaffen. Het roept ons op tot het voortdurend overdenken van onze zwakheid.

Gelovigen zijn vooral als ze nog jong zijn, geneigd om te veel op ontvangen genade te rusten. Zij voelen nog de warmte in hun hart en zijn evenals Petrus geneigd maar al te graag te denken hoe zijzelf in een bepaalde omstandigheid of in een beproeving zouden handelen. Het is alsof de Heere heeft willen zeggen: Arme wormen, wees niet hooggevoelend, maar vrees en bid of je, als dat zo zou zijn, door bittere ondervinding bewaard mag worden om te leren hoe zwak je vermeende kracht is. Het geeft ons zo liefelijk te kennen dat al onze omstandigheden en al onze vijanden in de handen van de grote Herder zijn. Hij kent al onze paden. Wij zijn zo kortzichtig dat we niet kunnen zeggen wat over een uur zal gebeuren. Wij staan echter onder Zijn bescherming. en als wij op Hem vertrouwen, behoeven wij niet overbe- vreesd te zijn. Hij houdt Zijn Woord, als wij ons betrouwen op Hem stellen en Hij zal niet toelaten dat ons een verzoeking zal overkomen, of Hij zal ons daarin ondersteunen en doorhelpen. Maar het betaamt ons, ten einde ons te behoeden voor zorgeloosheid en overmoed, het oog op Hem gericht te houden en ons geen ogenblik langer veilig te achten, dan onze geest de inhoud van deze bede met gevoel uitzucht.

Dat houdt onzerzijds tevens de plicht in om waakzaam te zijn, zoals de Heere elders beveelt: “Waakt en bidt”. Als wij niet in verzoeking geleid willen worden, moeten wij er zeker niet zelf inlopen. Als wij voor dwaling bewaard willen worden, moeten wij waken tegen een nieuwsgierige, redenerende geest. Als wij de vrede van onze consciëntie willen behouden, moeten wij ons ervoor hoeden het licht en de werkingen van de Geest niet licht te achten, want zonder Zijn hulp kunnen wij het geloof niet in oefening houden. Als wij niet verstrikt willen worden door de lieden van de wereld, moeten wij op een behoorlijke afstand van hen vandaan blijven. Hoe minder wij met hen te doen hebben hoe beter: laten we ervan uitgaan niet verder dan de voorzienigheid Gods ons daartoe verplicht, in de uitoefening van ons beroep en in familiebetrekkingen, meteen de gelegenheden waarnemend om hun goed te doen. Hoewel wij de satan niet geheel uit onze gedachten kunnen bannen, moeten we wel voorzichtig zijn dat wij niet opzettelijk zijn vuur van brandstof voorzien. Wij moeten de Heere smeken een wacht te zetten voor onze ogen en oren, en ons te leren de eerste roerselen en de geringste schijn van het kwaad van ons te werpen.

Ik ben zo intensief bezig geweest met mijn onderwerp, dat ik meerdere malen vergeten ben dat ik u, edelachtbare heer, aan het schrijven ben, anders zou ik mijn overpeinzingen niet zo lang hebben laten worden; wat ik zeker niet van plan was toen ik eraan begon. Ik zal aan dit verzuim mijn verontschuldigingen maar niet toevoegen. Ik heb voor mijzelf een onderwerp van groot belang aangesneden en ben één van de velen die veel geleden heb als gevolg van gebrek aan aandacht voor de noodzaak van dit gebed. O, kon ik voortaan maar wijzer zijn en spreken en handelen in de wetenschap dat ik altijd op het slagveld verkeer en omringd ben van legermachten.
Ik ben, enz.
Juli 1776

 

(1) Sommige verklaringen geven dit weer als: Verlos ons van “het” boze.