Brieven aan een edelman: Derde brief

Jon Newton Brieven

MY LORD!

Ik wilde graag mijn blad vol maken, en moet mij om die reden bedienen van het middel, dat ik onlangs meldde. Heerlijke dingen worden gesproken van de stad Gods, of, naar mijn mening, de staat der heerlijkheid, Openb. 21 van vs. 10 tot het einde. De beschrijving, die daar voorkomt is zonder twijfel geheimzinnig, en misschien zal niets anders dan een gelukkige ondervinding en een dadelijk genot, ons er een rechtmatige uitlegging van kunnen geven. Eén uitdrukking van, naar ik meen, een wijzer iemand dan ik, heeft veel moeite gekost om haar te verklaren: En de stad was zuiver goud, zijnde zuiver glas gelijk (vs. 18). De woordschikking in het Grieks is moeilijk. Sommigen zetten het over als: zuiver goud, doorschijnende als glas. Als wij het goed begrijpen dan moet men het verstaan, of van zuiver goud, dat helder en schitterend is als het fijnste doorschijnend glas – want niet elk glas is doorschijnend; het is als twee onderscheidene gelijkenissen: blinkend en duurzaam als het zuiverste goud en klaar en doorschijnend als het fijnste glas. In de zalige wereld zullen de schoonheden en voorrechten die hier verdeeld en onbestaanbaar met elkaar waren, verenigd zijn en samenstemmen.

Ons glas is klaar, maar bros; ons goud is glansrijk en vast, maar het is ondoorschijnend, en vertoont slechts een oppervlakte. En zo is het ook met onze geest gesteld. De kracht van de verbeelding is levendig en uitgebreid, maar kortstondig en onzeker; de vermogens van het verstand zijn meer vast en geregeld, maar tegelijkertijd traag en bepaald. Het gaat niet verder dan tot de uitwendige eigenschappen van de weinige voorwerpen rondom ons. Maar als we binnen het voorhangsel komen, dan zal de volkomenheid van het goud en en het glas verenig worden, dan zullen de onvolmaaktheden van beide geheel ophouden. Dan zullen wij meer kennen dan we ons nu verbeelden kunnen. Het glas zal enkel goud zijn. En dan zullen wij de waarheid begrijpen in al haar betrekkingen en gevolgen. Het zal niet zijn zoals nu, door die langzame en gebrekkige weg die wij redenering noemen. Maar het zal door een enkele daad van ons verstand en zicht, in een ogenblik door het grootste doorschijnend lichaam heen dringen. Het goud zal enkel glas zijn.

Ik geef dit niet op als de zin van die plaats, maar als een gedachte die mij eens onder het lezen ervan voorkwam. Ik zucht dagelijks onder een lichte, ontembare verbeelding en een tastbare donkerheid van verstand, die mij grotelijks hindert in mijn pogingen om de waarheden van God te beschouwen. Misschien zijn deze klachten, in meerderen of minderen mate, aanwezig bij geheel ons gevallen geslacht. Het is levert een treurig bewijs op dat onze natuur wezenlijk bedorven is. De genade van God verleent ons hulp, tot verbetering van de onstuimigheid der verbeelding, en tot uitbreiding van de vermogens van de geest. Maar de genezing ervan is in het tegenwoordige leven slechts oppervlakkig. Eens zullen we in de grond genezen worden en zullen onze klachten voor eeuwig ophouden. Maar nu kost het ons veel moeite een weinigje grondige en nuttige kennis te verkrijgen, en de denkbeelden die wij verkregen hebben, zijn verre van in de macht van ons oordeel te staan. Zoals mensen die in een gedrang staan, zijn ze steeds met elkaar verward, en botsen zij tegen elkaar aan. Maar zo zal het niet zijn wanneer wij volmaakt van de zonde bevrijd zullen zijn. Verwarring en duisternis zullen ons niet volgen in de wereld waar licht en orde heersen. Dan, en niet eerder, zal onze kennis volmaakt zijn, en wij zullen haar onafgebroken en veilig bezitten.

Aangezien de wortelvermogens van onze ziel dus verzwakt en ongesteld zijn, is het niet te verwonderen dat de beste mensen, hoever zij ook gevorderd zijn in de genade, altijd reden vonden, om met de Apostel te erkennen: Als ik het goede wil doen, ligt het kwade mij bij. Maar, geloofd zij God! Alhoewel wij ieder uur reden tot schaamte en verootmoediging hebben over hetgeen wij in onszelf zijn, hebben wij ook reden om ons steeds in Christus Jezus te verblijden, Die, zoals Hij aan ons geopenbaard is onder de verscheiden Namen, eigenschappen, betrekkingen en ambten, die Hem in de Schrift zijn toegekend, ons geloof een balsem voor alle wonden schenkt, een hartversterking tegen alle moedeloosheid, een voldoende oplossing van iedere tegenwerping, die de zonde of de satan tot verstoring van onze vrede inbrengt. Zijn wij schuldig, dan is Hij onze Gerechtigheid; zijn wij ziek, dan is Hij onze onfeilbare Geneesheer; zijn wij zwak, hulpeloos en weerloos, dan is Hij de medelijdende en getrouwe Herder Die ons voor Zijn rekening genomen heeft, en niet zal dulden, dat iets onze hoop zal verijdelen, of ons van Zijn liefde zal scheiden. Hij kent Zijn maaksel; Hij is weet dat wij maar stof zijn, en heeft Zich verbonden om ons te leiden door Zijn raad, ons staande te houden door Zijn macht, om ons uiteindelijk op te nemen in Zijn heerlijkheid, opdat wij eeuwig mogen zijn waar Hij is.
Ik ben met de grootste achting, enz.
April, 1770.