Brieven aan een edelman: Achtse brief

Jon Newton Brieven

MY LORD!

Ik heb mij de vijf of zes laatste weken niet goed gevoeld. De oorzaak van mijn ongesteldheid was verkoudheid die gepaard ging met lichte koorts, en gedurende enige tijd ook hoest waardoor het preken moeilijk ging. Vervolgens volgde hierop doofheid die zo erg was, dat ik met niemand een gesprek kon hebben omdat ik geen woord kon verstaan, tenzij het heel hard in mijn oor gesproken werd. Maar de Heere heeft uit genadig de koorts en hoest weggenomen, en mijn oren geopend, zodat ik nu nagenoeg tot vorige mijn gezondheid hersteld ben. Ik vind in deze weg stof tot dankzegging, in het bijzonder voor twee dingen: allereerst: omdat ik in staat mocht zijn, hoewel soms met enige moeite, mijn openbaar dienstwerk te blijven waarnemen. Het is een bijzonder voorrecht, waarvoor ik dankbare erkentenis schuldig ben. Want in de bijna negen jaar dat ik het Woord bediend heb, ben ik tijdens de openbare Godsdienstoefeningen op de dag des Heeren en doordeweeks, niet éénmaal verhinderd geweest; terwijl ik, in diezelfde tijd, verschillenden dienaars van de Heere heb gezien die een behoorlijke tijd niet in staat waren om hun werk te verrichten.

Mijn andere grote voorrecht was, dat het de Heere behaagde mij in een stille en gelaten gemoedsgestalte te houden, zodat ik, terwijl ik doof was en er niet zeker van was of ik ooit mijn gehoor terug zou krijgen, toch steeds even gerust en welgemoed was als op andere tijden. Dit is een gave van Zijn goedheid, want hoewel Zijn vrijmacht, wijsheid, getrouwheid, Zijn recht om te doen wat Hem behaagt, en daarbij de zekerheid dat alles wat Hij doet goed is, mij bekend zijn, en mij overvloedige bewijzen opleveren dat onderwerping aan Zijn wil onze onvermijdelijke plicht is, ben ik mijzelf zeer bewust, dat ik, wanneer de beproeving komt, niettegenstaande al de raad en het onderricht wat ik aan anderen gegeven heb, te werk zou gaan als een wild dier dat in een net gevangen is, ontevreden en ongeduldig. Ja, ik zou vergeten dat ik een zondaar ben, en dat Hij de vrijmachtige Opperheer is.

Ik zou het er niet best vanaf brengen als het Hem niet genadiglijk behaagde Zijn woord te vervullen dat, de sterkte Zijns volks zal zijn gelijk hunne dagen. Ik hoop dat mijn doofheid voor mij tot onderwijs is geweest. De werking van onze zintuigen gaat zo gemakkelijk en aanhoudend, dat het lijkt alsof dit normaal is. Toch moest ik er toen moest ik er aan denken, dat wij die voorrechten, die zo gewoon lijken, en die zo nodig zijn tot een genoegelijk slijten van het leven, alleen door vergunning genieten. De uitwendige zinnen, de vermogens van de geest, gezondheid van het lichaam, en vrede in het gemoed, zijn zeer hoog te schatten, maar de duur van deze dingen, hangt af van Hem, Die opent en niemand sluit, en Die sluit en niemand opent. Een minuut is meer dan lang genoeg om ons te beroven van hetgeen ons het dierbaarst is, of, als het ons niet ontnomen wordt, ons te beletten er enig gebruik of genoegen van te hebben.

Het is niet mijn bedoeling om uw Lordschap te onderwijzen. Ik wil alleen de gedachten meedelen die het meest in mijn hoofd omgingen toen ik niet in staat was om met iemand te spreken. Het zijn zeker eenvoudige en bekende waarheden die ik lang als onbetwistbaar erkend heb; maar ik vind reden om dankbaar te zijn, wanneer de Heere dit met nieuwe kracht op mijn gemoed drukt, ook al vindt Hij het goed om dit te doen doormiddel van tegenspoed. Ik heb onlangs iets gezien van het gewicht en de aangelegenheid der vermaning, die wij in Jeremia 9 vers 23 en 24 lezen: Zo zegt de Heere: Een wijze beroeme zich niet in zijn wijsheid, en de sterke beroeme zich niet in zijn sterkheid; een rijke beroeme zich niet in zijn rijkdom. Maar die zich beroemt, beroeme zich hier in, dat hij verstaat, en Mij kent, dat Ik de Heere ben, doende weldadigheid, recht, en gerechtigheid op aarde; want in die dingen heb Ik lust, spreekt de Heere. Een plaats, die, hoewel meer bijzonder voor de wijzen, de sterken, en de rijken, maar nochtans van een algemene toepassing is – is toch wel de eigenliefde, tenzij deze door de genade bedwongen en gedood is, zal het altijd iets vinden waarop zij wil roemen, in de geringste karakters, en in de laagste standen van de bevolking.

En inderdaad, wanneer men de zaken weegt in de weegschaal van het Heiligdom, dan roemen zij die geestesziek zijn en in een inrichting verblijven op hun stro of op hun ketenen, als teken van pracht of koninklijke waardigheid. Zij roemen in zichzelf met dezelfde redenen als hen die buiten de inrichting leven. De enige gepaste grond van roem en blijdschap is, dat wij de Heere kennen, alleen dan zijn wij in dit leven veilig, ja, dan zal alles eindigen in eeuwige zaligheid. Welke veranderingen onze tijdelijke zaken ook mogen ondergaan, alleen dan zijn onze beste belangen en uitzichten buiten het bereik van alle veranderingen. En wat wij in dit benauwde tijdperk ook zullen verliezen of lijden, zal dan overvloedig vergoed worden in de heerlijke staat van de eeuwigheid, die zeer nabij is. Ik ben, enz.
April, 1773.