Brieven aan de eerwaarde heer W: Derde brief

Jon Newton Brieven

DEAR SIR!

Kunt u zulk een trage correspondent als mij nog dulden? Ik ben waarlijk beschaamd. Maar als dit tot enige verontschuldiging strekken mag; ik handel met u niet erger dan met mijn andere vrienden. Zo dikwijls ik schrijf, ben ik genoodzaakt om met een verdediging te beginnen, terwijl door de bezigheden, en de toevallige beletselen die mij elke dag voorkomen, mijn tijd doorgaans reeds in beslag genomen is, eer hij mij in handen komt; vooral, daar ik zo weinig de kunst versta van de tijd uit te kopen en wèl te besteden. Ik verlang een brief van u te ontvangen; en ik verlang om u te zien. Inderdaad, enige uitdrukkingen in uw laatste deden mij hopen, dat gij vóór deze tijd reeds hier zou zijn geweest; en dit was voor een gedeelte de reden, die mij het schrijven deed uitstellen. Ik heb uw brief verlegd, en kan mij de bijzonderheden niet meer te binnen brengen. In het algemeen herinner ik mij, dat u welvarend was, en met genoegen in uw arbeid voortging; hetwelk mij tot blijdschap strekt. Mijn gebrekkige gebeden voor u zijn, dat de Heere u de blijken van Zijn goedkeuring meer en meer doet ondervinden, en u steeds voorspoed geeft.

De twee voornaamste zaken waartoe wij in deze zondige, gescheurde wereld geroepen worden om na te volgen, zijn vrede en heiligheid. Ik hoop dat u daar veel werk mee hebt; dat zijn de bijzondere kenmerken van een discipel van Jezus. Het zijn de kostbaarste genietingen van de hemel en voorzover zij in het hart verkregen mogen zijn, brengen zij de hemel op aarde. Zij zijn onafscheidenlijker aan elkaar verbonden dan sommigen van ons zich bewust zijn. Hoe langer ik leef, hoe meer ik de ijdelheid ga inzien van onze onchristelijke twistgesprekken. Die verslinden het meest wezenlijke van de godsdienst. Het doet mij leed, als ik eraan denk hoe dikwijls ik op die wijze mijn tijd en humeur verloren ben, door te veronderstellen dat ik dé wijngaard van een ander moest beheren, terwijl ik die van mijzelf verwaarloosde, zodat de balk in mijn eigen oog mijn gezicht zodanig aantastte dat ik niets anders kon onderscheiden dan de splinter in het oog van mijn naaste. Ik begeer nu een betere keuze te doen.

Als ik de woorden van de tollenaar met een waar gevoelen kon uitspreken, zou ik in de taal van engelen of mensen niet willen strijden voor denkbeelden en gevoelens. Ik erken dat ieder deel van de Evangeliewaarheid dierbaar is, dat de dwalingen menigvuldig zijn en dat het onze plicht is een eerlijk getuigenis af te leggen van hetgeen waarin de Heere ons vertroosting heeft doen vinden en dat wij met zachtmoedigheid diegenen zullen onderwijzen, die gewillig zijn om onderwijs te ontvangen. Ik kan het echter niet als mijn plicht zien, ja, ik geloof dat het mij tot zonde zou zijn, als ik zou proberen mijn denkbeelden in de hoofden van anderen te hameren. Ik heb in het verleden dat maar al te dikwijls geprobeerd, maar nu oordeel ik dat zowel mijn ijver als mijn wapens vleselijk waren. Toen onze dierbare Heere aan Petrus, na zijn val en herstel, vragen ging stellen, zei Hij niet: “Zijt gij wijs, geleerd en welsprekend?” Hij zei zelfs niet: “Zijt gij zuiver en gezond in de leer en orthodox?” maar alleen dit: “Hebt gij Mij lief?” Eén antwoord hierop was toen voldoende, en waarom dan nu niet? Elk ander antwoord, naar wij mogen geloven, was toen niet voldoende geweest. Als Petrus de meest hoogdravende belijdenis van zijn geloof en zijn gevoelens had afgelegd, zou nog steeds de eerste vraag zijn herhaald: “Hebt gij Mij lief?” Dit voorbeeld uit de Schrift heeft voorrang boven alles.

Gelukkig de prediker, wie hij ook zij – en hij ligt in mijn hart en mijn gebeden – die eerlijk en standvastig het antwoord van Petrus tot het zijne kan maken. Zo’n man, zeg ik, wil ik horen, al zou hij nog zoveel fouten maken in sommige zaken, zoals Petrus later in andere gevallen ook schijnt gemaakt te hebben. Wat jammer dat christenen in de opeenvolgende eeuwen gedacht hebben dat de bindende kracht van de liefde van Christus te zwak zou zijn en dat zij verondersteld hebben dat het doel beter bereikt zou worden door vormen, bijdragen en vragen van eigen uitvinding! Ik kan zelfs die kerken er niet van vrijspreken, die oordelen dat zij, wat dit betreft, het dichtst bij de oorspronkelijke regel blijven. Helaas, eigenwillige godsdienst en aanmatiging kunnen in de beste uitwendige vormen kruipen, maar het ongelukkige van zowel kerken als van christenen is dat wij maar al te geneigd zijn ons eerder met anderen te vergelijken dan te oordelen aan de hand van de Schrift. Terwijl ieder kan merken dat men niet toegeeft aan de dwalingen en gebreken van de tegenpartij, zijn beide geneigd te besluiten dat zij gelijk hebben. Derhalve komt het voor dat het vasthouden aan een aangenomen evangelisch formulier iemand eerder en nauwer bij sommige kerken aanbeveelt dan een uitnemende evangelische praktijk.

Ik hoop dat u zich zult wachten voor zo’n geest, telkens wanneer u in het openbaar een onafhankelijk getuigenis geeft. Dit heeft, net als een worm aan de wortel, de genade beschadigd en het nut van menig man van waarde belemmerd. Degenen die van groepering en mening veranderen, staan daar het meest bloot aan. De hoogmoed van ons hart stimuleert ons immers om intensief van ver en van nabij argumenten te zoeken om ons eigen gedrag te rechtvaardigen en dit doet ons maar al te geneigd zijn om de meningen die wij aangenomen hebben tot het uiterste vast te houden, opdat degenen bij wie wij als nieuweling zijn aangekomen onze oprechtheid niet zouden verdenken.

Om het in één woord te zeggen: laten wij trachten dichtbij de Heere te blijven, veel in gebed te zijn en zorgvuldig over ons hart te waken. Laat de ijverige, vurige geesten maar het beste van hun werk maken. De verborgenheid des HEEREN is voor degenen die Hem vrezen en voor hen die voortdurend op Hem hopen. Aan diegenen zal Hij Zijn verbond bekendmaken; niet theoretisch, maar bevindelijk. Enkele minuten onderwijs door de Geest verschaft ons meer echte profijtelijke kennis dan wanneer wij ons door folianten van commentaren en uitleggers heen worstelen. Die zijn op hun eigen plaats wel nuttig en moeten niet onderschat worden door hen die het, over het algemeen, beter vinden het zonder die commentaren te doen. Het zal echter onze wijsheid zijn om ons minder bezig te houden met de stromen en ons inniger tot de Fontein te wenden. De Schrift zelf en de Geest van God zijn de beste en de enige bekwame uitleggers van de Schrift. Wat er in mensengeschriften van waarde staat, hebben zij daaruit gehaald en die weg is voor ons even open als voor hen. Er wordt niets anders vereist dan een leergierige, nederige geest; geleerdheid, zoals men dat gewoonlijk noemt, is niet nodig om dat te doen.
Ik beveel u Gode en Zijn genade, en blijve enz.
21 November 1757