Brieven aan de eerwaarde heer P: Zevende brief

Jon Newton Brieven

DEAR SIR!

Wij hebben allen kastijding nodig en op tijden als de Heere dit het beste vindt, ontvangen wij die ook. Ik hoop dat u eveneens redenen hebt om Hem te danken voor ondersteunende, heiligende en uitreddende genade. Het laffe vlees krimpt algauw ineen onder de roede, maar het geloof behoeft die niet te vrezen, want dat bevindt zich in de hand van Hem, Die ons beter liefheeft dan wij onszelf liefhebben en Die weet wat voor maaksel wij zijn, en dat wij maar stof zijn; daarom zal Hij niet toelaten dat wij te veel opgelegd krijgen en zouden bezwijken. Ik voel mee met B., zoals een vriend betaamt. Als ik daartoe in staat zou zijn, zou ik hem de gezondheid spoedig geven. Maar als de Heere, Die wel in een ogenblik zijn ziekte kan wegnemen, toelaat dat die voortduurt, kunnen wij er wel zeker van zijn dat het beter voor hem is. Het is echter zeker geoorloofd om te bidden dat zijn gezondheid weer mag hersteld worden en dat hij, tot ons nut, nog mag blijven.

Ik verzoek u hem de hartelijke groeten van mij te doen en zeg hem dat ik een hartelijke genegenheid voor hem in mijn hart bewaar. Ik weet dat de God Die hij dient alles wat Hij over hem beschikt draaglijk en profijtelijk voor hem zal maken. Als het Hooglied van Salomo de bevinding van de Kerk beschrijft, laat het, zoals u wel hebt opgemerkt, zowel de donkere als de lichte zijde daarvan zien. Er is geen deel daarvan, of het is de bevinding van elke gelovige, op een of andere tijd. Sommigen verkeren in het wijnhuis, anderen liggen op hun bed. Sommigen zitten onder Zijn banier en Zijn arm ondersteunt hen, terwijl anderen een vaag gezicht van Hem hebben op afstand, met menige heuvel en berg daartussen. Eén zaak hebben zij echter allen gemeen: Hij is het voornaamste Voorwerp van hun verlangens en zij hebben zulk een ontdekking van Zijn Persoon, werk en liefde gehad, dat dit Hem dierbaar voor hun hart gemaakt heeft. Hun oordeel over Hem is altijd hetzelfde, maar hun gevoelige gestalte wisselt nogal.

De liefde die zij voor Hem hebben, hoewel die in hun hart is geworteld en gegrond, is niet altijd evenveel in oefening en dat kan ook niet. Wij zijn net als bomen die, hoewel zij leven, hun bladeren en vruchten niet kunnen voortbrengen zonder de invloed van de zon. Zij leven in de zomer en ook in de winter, maar wat een verschil is er uitwendig in deze onderscheiden jaargetijden! Als wij altijd hetzelfde waren, als wij altijd konden geloven, konden liefhebben, ons konden verheugen, zouden wij denken dat de macht daartoe in onszelf en van onszelf zou zijn. Het is echter meer tot verheerlijking van de Heere en het is geschikter om ons in een gestalte te brengen, die past bij het Evangelie en waarin wij ons diep bewust zijn van onze eigen onbekwaamheid en afhankelijkheid, dan dat wij altijd in een levendige gestalte zijn. Ik ben ervan overtuigd dat een verbroken en verbrijzelde geest, een overtuiging van onze verdorvenheid en nietigheid, tezamen met een hartelijk aannemen van Jezus, zoals Hij in het Evangelie geopenbaard is, het hoogste is wat wij in dit leven kunnen bereiken. Gevoelige vertroostingen zijn begerenswaardig en wij moeten wel droevig in verval zijn als die niet ons deel zijn, maar ik geloof dat er echt geloofsoefeningen zijn, en ook groei in genade, als onze gevoelige gestalten gering en zwak zijn. Een ziel kan net zo goed in een staat van vooruitgang zijn, als zij is dorstende, zoekende en de Heere nawenende, als wanneer zij zich daadwerkelijk in hem verblijdt. Zij kan net zo vurig zijn als zij in het dal in de strijd verkeert, als wanneer zij zingt op de hoogte van de berg.

Ja, tijden van donkerheid vertonen de zekerste en sterkste bewijzen van de kracht des geloofs. Het woord der belofte vasthouden, de haat tegen de zonde bewaren, standvastig voortgaan op de weg van de plicht, ondanks de fronsen en de glimlachen van de wereld, terwijl wij maar weinig troost ervaren, is een zekerder bewijs van genade dan duizend dingen die wij zouden kunnen doen of nalaten als onze geest gevoelig en levendig is. Ik heb er velen gezien die over het algemeen genomen maar ongestadige lopers waren, maar die bij tijden blijdschap schenen te hebben, of liever gezegd, over grote troost hebben gespróken. Ik heb anderen gezien, die meestal over veel donkerheid en ongevoeligheid klaagden, maar die merkbaar nederig en teer gesteld waren en voorbeeldig in hun karakter en gedrag. Als ik mijn levensloop zou mogen kiezen, zou dat zeker die van de laatsten zijn.
Ik ben oprecht, en met alle toegenegenheid, enz.
11 Januari 1777