Brieven aan de eerwaarde heer P: Vijfde brief

Jon Newton Brieven

DEAR SIR!

Hoewel ik, helaas, maar dom ben, kan ik van kleine, alledaagse gebeurtenissen evengoed leren, “dat het bij een mens die wandelt niet is dat hij zijn gang richte”, als van wat meer opvallende en belangrijke wisselingen in het leven. Het komt mij niet toe dat ik zeg: “Vandaag of morgen zal ik dit of dat doen”. Ik kan nog geen brief aan een vriend schrijven, zonder dat het mij vergund wordt, of zonder hulp, want noch de gelegenheid, noch de bekwaamheid staan tot mijn beschikking. Het is niet eens nodig dat de Heere een berg op mijn weg laat verrijzen om mij van mijn doel af te houden. Als Hij slechts een zekere mate van onbewuste ondersteuning wegneemt, die ik gewoonlijk heb en mag gebruiken zonder dat ik besef van Wie die komt, voel ik mij in een ogenblik van streek en ontredderd. Dan ben ik als een schip dat zijn masten heeft verloren en kan ik niet verder, tenzij het Hem behaagt mij te herstellen en nieuwe kracht te geven. Mijn hoogmoed en geneigdheid om alles zelf te doen, maken veranderingen van dit soort steeds weer nodig voor mij, anders zou ik weldra vergeten wie ik ben en dan zou ik roken aan mijn eigen netten.

Daarom ben ik er over het algemeen wel van overtuigd en zie ik dat het beter is als ik geheel arm en leeg ben in mijzelf en afhankelijk moet zijn van de Heere, zowel voor de kleinste als voor de grootste dingen. Als onder zijn zegen mijn bevinding ten slotte overeenkomt met hetgeen ik in zo’n geval ook van oordeel ben, dat ik zonder Hem niets doen kan, dan weet ik dat ik het niet moeilijk zal vinden om door Hem alles te doen, want de deur der genade staat altijd open en wij behoren slechts te vragen en we ontvangen. Maar helaas, een verborgen redenering (al is die in strijd met herhaalde overtuigingen) dat ik zelf iets bezit, verhindert mij dikwijls om tot Hem te gaan en het is geen wonder dat ik dan teleurgesteld word. Het leven des geloofs lijkt in theorie zó simpel en eenvoudig, dat ik het in een paar woorden aan anderen kan uitleggen. In de praktijk is het echter heel moeilijk en ik vorder daarin zo langzaam dat ik nauwelijks durf te zeggen dat ik vooruitga. Het is inderdaad een groot goed als men de aard van een klein kind heeft, dat doorgaans bang is één enkele stap te doen zonder dat men het vasthoudt.

Wij hebben veel reden tot dankbaarheid en ook tot verootmoediging. Sommigen zijn van ons weggenomen, sommigen worden blijkbaar rijp gemaakt voor de heerlijkheid en zo nu en dan ontmoeten we een nieuwe ‘zoeker’. De goddeloosheid onder de on- bekeerden neemt hier echter verschrikkelijk toe. Overtuigingen die door velen herhaaldelijk worden gesmoord, zijn uitgelopen op hardigheid en onbeschaamdheid in de zonde, wat, naar ik geloof, zelden zo gevonden wordt als in die plaatsen waar het licht van het Evangelie lang is tegengestaan en misbruikt. Als wat ik zie, naar behoren mijn hart zou raken, zou ik hierom dag en nacht moeten wenen, maar, ach ik ben maar al te onbewogen.

Ik ervaar een droevig gebrek in mijn ijver voor God en in mijn medelijden met zielen. Als de satan en mijn geweten mij beschuldigen van lafhartigheid, trouweloosheid en hardheid weet ik niet wat ik antwoorden moet. Over het algemeen word ik door mijn ambtelijk werk in het openbaar met enige vrijmoedigheid heen geholpen en omdat ik voor de mensen niet beschaamd behoef te staan, schijn ik tevreden en voldaan te zijn. Ik zou wel dankbaarder willen zijn voor hetgeen de Heere onder ons belieft te doen, maar ik zou Hem tegelijkertijd ernstiger moeten vragen om Zijn Geest verder uit te storten. Sta mij daarin bij met uw gebeden. Wat mijn persoonlijke bevinding betreft, de vijand mag het fundament van mijn geloof en hoop niet aanraken, zodat ik tot dus-

ver vrede heb. Maar mijn strijd en werkzaamheden met de gevolgen van de inwonende zonden zijn smartelijk. Ik mag niet twijfelen aan mijn staat en kindschap, en toch lijkt het wel of niemand meer reden tot twijfel en vrees heeft dan ikzelf, als zulke twijfel met het Evangelie zou kunnen bestaan. Ik weet dat dit niet kan en ik weet, dat de Heere wat ik mis en waar ik naar uitzie, belooft te doen om Zijns zelfs wil, ondanks al mijn vuilheid en verdorvenheid. Ik twijfel er niet aan, of Hij heeft mij een honger gegeven (want hoe zou ik daar anders aan komen?) naar gemeenschap met Hem, in liefde en in gelijkvormigheid met Zijn beeld, waarvan ik tot nu toe slechts zwakke en gebrekkige beginselen heb ervaren. Als Hij een begin heeft gemaakt, durf ik op grond van Zijn Woord te zeggen dat Hij het werk van Zijn handen niet zal laten varen.

Wat openbare aangelegenheden betreft, daar zal ik maar weinig van zeggen. Velen hebben kritiek op mensen en maatregelen, maar ik zou liever de oorzaak leggen in de zonde. Voor mij lijkt het duidelijk dat de Heere een twist met ons heeft en daarom vrees ik dat wat wij tot nu toe gezien hebben, nog maar het begin van de smarten is. Ik heb een voorgevoel van vrees voor wat er de komende zomer zal gebeuren, maar ik bedenk wel dat de Heere regeert. Hij heeft Zijn eigen eer en het goede van Zijn Kerk op het oog; niets zal dat kunnen verijdelen. Eveneens weet Hij wel te zorgen voor degenen die Hem vrezen. Ik zou wel willen dat er meer gezucht en getreurd werd onder de belijders van de waarheid, over de zonden van de natie en van de kerk.
Maar ik moet nu eindigen, en blijve oprechtelijk enz.
Januari 1776